'Publiek, val me niet lastig'

Of ze nu een kinderboek schrijft of de Ilias vertaalt – Imme Dros wil met weinig woorden veel zeggen. „Een vertaling ligt als een hond te wachten.”

Immetje moest ze heten, net als haar grootmoeder. „Maar die had een hekel aan haar naam en zei: ‘noem haar liever Emmy’.” Emmy Dros. „Voor mijn gevoel hoorde die naam bij een klein, donkerharig, beetje zuidelijk meisje. Dat ben ik niet.” Zij is, zegt ze, een Fries type. Rood haar en sproetjes. Haar lengte is weer typisch voor Texel, waar ze werd geboren. „Eilanders zijn lang.”

Als student in Amsterdam veranderde ze haar naam in Imme. Een jongensnaam, maar dat wist ze niet. „Door mijn boeken zijn er massa’s Immes bijgekomen.” Meisjes-Immes zoals zij. Imme Dros (76) schrijft boeken voor kinderen en tieners, en ze vertaalt en bewerkt sprookjes en de Griekse klassieken.

In juni kreeg ze haar vijftiende Zilveren Griffel voor Zoveel als de wereld hou ik van jou. Op het Kinderboekenbal in oktober kan die griffel nog goud worden.

Rode harembroek, zwart shirt met vleermuismouwen, leren sleehakken. Grote bril met getinte glazen, grote strik in haar rood geverfde haar. Ze eet niet vaak buiten de deur, zegt ze. Als het mooi weer is, zoals vandaag, wil ze nog wel eens op het terras bij Van Drimmelen zitten, in het centrum van Hilversum. „Zulke heerlijke cappuccino.” Ze zit half in de zon, half in de schaduw. Pet op, pet af. Haar rechterbeen legt ze achteloos in haar schoot. „Vroeger vouwde ik hem zo in mijn nek.” Nee hoor, zegt ze, ze is totaal niet sportief. „Alleen zwemmen, dat deed ik graag. Van nature ben ik heel beweeglijk. Hoe noemen fysiotherapeuten dat? Hypermobiel. En dat is niet bedoeld als compliment.”

Lastig lijkt me. Schrijven doe je zittend. „O, vreselijk, ik zit zo ontzettend veel.” Ze is vorig jaar maart begonnen de Ilias te vertalen. Vierentwintig boeken over de laatste jaren van de Trojaanse oorlog, opgetekend door de Griekse dichter Homeros in de vijfde eeuw voor Christus. Als ze flink doorwerkt – ze moet nog vijf boeken – is ze aan het eind van het jaar klaar. „Als ik zelf iets schrijf, ben ik minder gebonden aan mijn bureau. Ik kan ook maar een paar uur op een dag schrijven.” Maar vertalen.., zegt ze. „Een vertaling ligt op je te wachten als een hond. Je aait hem even en hup, daar staat ’ie naar je te kwispelen. Zit ik weer zes, zeven uur te werken.”

Op Texel deed ze de ulo en ze zat een jaar op de kweekschool „aan de overkant”. Zo noemen eilanders de rest van Nederland. Maar ze wilde naar het gymnasium, om daarna Nederlands te kunnen studeren. „Mijn vader heeft de rector omgepraat. Hij zei: mijn dochter kan bij u in de vierde klas beginnen. De rector: dat is onmogelijk, u kent deze opleiding niet. Waarop mijn vader antwoordde: u kent mijn dochter niet.” Een dominee op Texel gaf haar zes weken twee keer per week bijles Grieks en Latijn. „De school zat min of meer met me opgescheept.” Twee leraressen klassieke talen hielpen haar. „Ze vonden het spannend om te kijken wat ze uit me konden halen. Alsof ik een vreemd obscuur renpaard was, dat met wat oefening heel goed bleek te kunnen lopen.”

Waarom wilde u zo vreselijk graag dat gymnasium doen? Op Texel, zegt ze, is alles gericht op nut. „Het leven is er hard.” Haar vader was bakker, „een zzp’er”. „Een bakkerij drijven en daar ook nog iets aan overhouden, is niet niks.” Haar moeder „idem hetzelfde”. „Alle zes kinderen gevoed en kraakhelder. Topsport.” Ze waren jong, deden aan amateurtoneel, lazen veel. „Veel eilanders vonden dat verspilling van tijd en geld. Ze zeiden: ‘Kind, je verleest je verstand.’” Grieks en Latijn leren leek haar bij uitstek niet gericht op nut en daarom heel aantrekkelijk. „Wat moest je met zo’n dode taal?” Ze was achttien, bijna negentien toen ze Tacitus leerde lezen, Homeros, Ovidius. „Het heeft zoveel indruk op me gemaakt. De efficiëntie van de taal, de klank, de zwier.” Wat zei Kant ook alweer, vraagt ze en geeft zelf antwoord. „Door klassieke talen leer je op finesses te letten.”

Vertalen wat er staat, is niet het moeilijkste, zegt ze. Het moeilijkste is om in de vertaling niet meer woorden te gebruiken dan er in de oorspronkelijke tekst staan. „Al die stoplappen, de versieringen, omschrijvingen te hooi en te gras. Probeer daar maar eens iets korts voor te verzinnen.” Gelukkig is Nederlands een fantastische taal, zegt ze. „Lenig en flexibel.” Achilles is ‘snelvoetig’, Hera koeogig, de paarden enkelhoevig. Ze lacht en zegt dat ze zich vreselijk ergert als er in één verszin twee woorden staan die dezelfde betekenis hebben.” U bedoelt...? Ze improviseert: „Hij stak zijn glanzende speer in zijn hals, en de lans kwam er bij de schouderbladen weer uit.” Ze haalt haar schouders op. „Maar goed, het staat er, dus ik vertaal het wel.” Want? „Ik ben calvinistisch opgevoed. Het moet zoals het er staat.” Van wie moet dat? „Van mij.”

Twintig jaar geleden verscheen haar bewerking van De Odyssee, ook van Homeros. Ze wilde een boeiende, leesbare vertaling maken. Dat is goed gelukt. „Zeventien drukken. Ongehoord veel.” Of de vertaling die ze nu maakt wordt uitgegeven, is nog onzeker. Waarom dan al die uren werk? Dag in dag uit vertalen wat haar zo na aan het hart ligt, is een „groot geluk”, zegt ze. „Homeros schrijft zo realistisch en fantasierijk. Het zijn verhalen over heimwee en verlangen, oorlog en ellende. Ik heb ontzag voor hoe hij de mens ziet. Zelfs de vijand krijgt respect. Bij elk oorlogsslachtoffer gebruikt hij dezelfde formule: ‘..en hij viel met een dreun en de wapens kletterden op hem’. De dood is voor iedereen hetzelfde .”

Hiërogliefen

Ze speelt met de ronde hanger aan de zilveren ketting om haar hals. Ik buig me voorover om de inscriptie te bekijken. Zijn dat Egyptische hiëroglyfen of... „Lineair A”, zegt ze. Het oudst bekende Europese schrift, aangetroffen op een ronde schijf van aardewerk op Kreta. Tot op heden is het niemand gelukt de pictogrammen te ontcijferen. „Onvertaalbaar. Maar mooi is het.”

Ze was al achttien toen ze in vier gymnasium kwam. „Een breuk met de jaren die achter me lagen.” En bepalend voor de loop van haar leven? Ze aarzelt. „In mij strijden twee periodes om voorrang.” De „zware herinneringen” liggen tussen haar derde en achtste jaar. „Het was oorlog, de Duitsers zaten op ons eiland, de volwassenen waren bang.” Ze was groot genoeg om de spanning te voelen, maar te jong om het te begrijpen. Pas vorig jaar kon ze het opbrengen de Ilias te vertalen. „Ik was al zes keer eerder begonnen, maar steeds gestopt in boek twee. Zo’n oorlogzuchtig boek, ik dacht: wie leest dat voor z’n plezier?” Nu ze eenmaal bezig is, fascineert het haar. „Het gaat Homeros niet om de massale vechtpartijen, maar om de enkeling die geraakt wordt door de oorlog.”

Haar maakte de oorlog vooral onzeker en dus bang. Het zoeken naar zekerheid zit in elk van haar kinderboeken. Wie ben ik, waarom ben ik hier en wat gebeurt er? In haar laatste boek stelt het lapje stof dat vermaakt is tot knuffelmuis die vragen aan de vlieg, de boekenwurm, de merel. Ze grinnikt. „Mijn favoriete dier is de halve regenworm.” In tweeën gebeten door een merel. Met een klagerig stemmetje: „Ik zal nooit meer mezelf zijn.” Het boek gaat zeker over identiteit, zeg ik. Nee, zegt zij. „Het gaat over heimwee en verlies.” Ze schreef het voor haar kleindochter, nu vijftien jaar, toen acht. „Ze was haar knuffel kwijtgeraakt. Ik zei: ik zal een boek schrijven over je knuffel. Nee zei ze: dat wil ik doen. Ik zei: we doen het allebei, want elk boek is toch anders.” In het boek raakt de knuffel het meisje kwijt.

Huwelijk

Ik vraag waarom ze altijd jeugdboeken schrijft, en nooit eens iets voor volwassenen. Ze heeft het wel eens geprobeerd. Het moest gaan over een huwelijk waarin de partners veranderen, maar op dezelfde manier van elkaar blijven houden. „Na twee pagina’s ben ik opnieuw begonnen. En toen stond er ineens: ‘Op een dag kreeg mevrouw Klein een staart’.” Weer een kinderboek. Ze houdt van de lange toekomst die kinderen hebben. En ze houdt van het kinderboekengenre. „Met weinig woorden veel zeggen.” Ze vertelt over het Gulbenkian Museum in Lissabon. „Van onder tot boven staat het vol kunstschatten. Egyptische kostbaarheden, Oosterse tapijten, schilderijen van Rubens en Rembrandt, verzin het maar. Maar het allermooist van alles vond ik een klein Chinees kommetje. Heel bleekjes, heel simpel van vorm, maar prachtig. Een volmaakt kinderboek is zoals dat kommetje.”

Een volmaakt kinderboek zou toch een Gouden Griffel moeten krijgen, zeg ik. Zij krijgt alleen maar zilveren. Ze haalt haar schouders op. „Voor twee van die Zilveren Griffelboeken kreeg ik ook de Woutertje Pieterse Prijs voor het mooiste boek.”

En wat vindt ze van de kritiek op de griffels? Volwassenen geven de prijs aan kinderboeken die kinderen zelf nauwelijks begrijpen. „Mijn kleindochter van vijf en haar klasgenoten begrijpen mijn boeken anders heel goed.” Zij schrijft dus voor kinderen? „Ik heb niet zomaar een kind voor ogen. Ik schrijf met het kind dat ik zelf was in gedachten.” Ze denkt even na. „Multatuli zei: publiek ik veracht u. Ik zeg: publiek, ik wil geen last van u hebben.” Niet zeuren dat een griffelboek moeilijk is of saai. „Er bestaan heus kinderen die het niet boven de pet gaat.”

Aan het laatste boek, over de knuffelmuis, heeft ze veel werk gehad. „Ik wilde dat Harrie op elke bladzijde een tekening maakte naast de tekst.” Harrie Geelen, al vijftig jaar haar echtgenoot, is schrijver, regisseur en illustrator van bijna al haar boeken. „Hij heeft alle dieren realistisch getekend. Alleen de knuffelmuis is een fantasiefiguur. Hij heeft me uitgelegd dat hij de muis geen mimiek kon geven, omdat die niet beweegt in het verhaal.” Harrie illustreert niet, zegt ze. „Harrie vult het verhaal aan.”

Voor haar is het voordeel van een griffel dat het boek wat langer in de winkel blijft liggen. En met een beetje geluk beleven oudere boeken een opleving. „Eens in de zoveel tijd krijgen we een brief dat een titel in de ramsj gaat, of door de versnipperaar. Alleen werk van Annie M.G. Schmidt blijft in druk. Al het andere verdwijnt.”

Ze is er niet rouwig om, welnee. Alles is toch ijdelheid en het najagen van wind, en zei ze al dat niets nut heeft? Wat staat er ook alweer zo ongeveer in bijbelboek Prediker?, zegt ze. „Voor de mens is er niet beters dan zijn werk, want dat is zijn deel.” Ze knikt, tevreden. „Een dag zonder schrijven is gewoon een vreselijk saaie dag.” Ze springt op en loopt kwiek naar haar fiets. „En nu moet ik als de donder boodschappen doen.”