Pleinplezier

Het Museumplein in Amsterdam is af, klaar, voltooid, er hoeft niets meer aan te worden veranderd, verbeterd, verfraaid. Er mag nu niet meer worden omgetoverd. Dat zal wat nadrukkelijk klinken, maar ik schrijf dit in een stad waar het omtoveren de afgelopen decennia tot een slepende ziekte dreigde te worden. Herinrichting van de openbare ruimte, de komst van de Deense tuinkabouter, omhakken van het Lindenlaantje, verbouwing van de drie musea, de bouw van de Badkuip, het hield niet op. Maar nu wijst alles erop dat het klaar, af, voltooid is. Op een van deze mooie zomerdagen heb ik een inspectie gehouden. Ik kan het u aanbevelen. Alles ziet er gaaf uit. Op dit plein is een nieuw tijdvak aangebroken.

Om de panoramische kwaliteit goed op me te laten inwerken heb ik me beperkt tot de buitenkant. Eerst naar de sculptuur van Richard Serra, Sight Point, die drie tegen elkaar leunende enorme roestige platen. Heb ik altijd indrukwekkend gevonden. Vroeger stonden ze in de museumtuin, nu in een grasveld. Daar komen ze beter tot hun recht. Ik ben er even onder gaan staan. De binnenkant is hier en daar met graffiti versierd. Daarna het plein overgestoken. Mooi uitzicht op alles.

Aan de kant van het Amerikaanse consulaat staat het monument voor de Vrouwen van Ravensbrück 1940-1945. Een halve cirkel van hoge rechthoekige aluminiumkleurige zuilen om een ronde zuil waar geluid uit komt. Een donker, aanzwellend en dan weer afstervend geronk, af en toe gemengd met het geluid van verre ontploffingen. De oorlog. De installatie heeft een tijdje slecht gewerkt, deed tenslotte niets meer, maar toen ik daar aankwam hadden twee heren van een jaar of dertig juist de laatste hand aan het volledig herstel gelegd. Ik maakte mijn compliment en vroeg of ze wisten waar ze naar luisterden. Ja, ze hadden wel het theoretisch besef, maar de echte oorlog, nee, daar hadden ze geen verstand van. Iedere generatie heeft haar eigen onherroepelijke beperkingen, dat begrepen ze.

Ik liep verder, naar het monument voor de Zigeuners, Roma, met dat moeilijk leesbare opschrift, en zo bereikte ik weer de Van Baerlestraat. Tegen beter weten in zoek ik daar altijd nog even naar de koperen gedenkplaat die daar jaren heeft gelegen. Hier stonden op 21 november 1981 enkelen van de 400.000 mensen die demonstreerden tegen de plaatsing van de kruisraketten. Dat is ongeveer de tekst. Plotseling was die plaat verdwenen, waarschijnlijk wegens de algemene graafwerkzaamheden. Nooit meer teruggekomen. Wat is ermee gebeurd? Ligt dat ding ergens in een museumkelder? Is het omgesmolten? De Koude Oorlog hoort ook tot de vaderlandse geschiedenis. Die demonstratie was een dramatisch hoogtepunt. Een groot deel van de bevolking verdomde het de Amerikaanse inzichten nog langer te accepteren. Mient Jan Faber van het Interkerkelijk Vredesberaad dacht dat de tijd rijp werd om de macht te grijpen. En nu is de gedenkplaat die aan deze dagen herinnert spoorloos verdwenen. Zoek hem op, leg hem terug.

Ik nam de tram naar het Spui waar ik een afspraak had en daarna wilde ik terug naar het Museumplein om de inspectie te voltooien. Bij de halte stonden een stuk of twintig Chinese, Amerikaanse, Russische kunstliefhebbers die ook naar Rembrandt, Van Gogh of Kienholz wilden. Ze hadden gehoord dat je bij de bestuurder een kaartje kunt kopen. Daar kwam lijn 5. Keurig gingen ze in de rij staan, en allemaal wilden ze met een biljet van tien, twintig of vijftig euro betalen. Dat duurde wel meer dan een paar minuten. Intussen was lijn 2 gearriveerd, maar het aantal toeristen was ook flink toegenomen en op het Koningsplein had zich ook al een drommetje verzameld. De kunst in de Amsterdamse musea is een goudmijn voor de stad. Dat heeft Wim Pijbes goed gezien. Maar het openbaar vervoer dat de vreemdeling erheen moet brengen hoort, wat de kaartjesverkoop aangaat, tot de achterlijkste ter wereld. Stel je voor dat je in Parijs bij de bestuurder van de metro een kaartje moet kopen om naar het Louvre te komen.

Hoe dan ook, in een container vol mensenvlees bereikte ik ten slotte opnieuw het Museumplein. Daar ben ik om eerst even uit te blazen op een terrasje gaan zitten. Aan het tafeltje naast me zaten twee heren van het type moderne blaaskaken hard te praten over zakelijke successen die ze de vorige week in het buitenland hadden geboekt. Wat was dat een impertinent lawaai. Ik merkte dat ik me zat te ergeren en daarom stak ik een kalmerende sigaret op. Daar hoorde ik naast me een nadrukkelijk uche-uche-uche en een van de heren zat met een hand voor zijn neus te zwaaien. Zou ik opstaan en hem vertellen dat zijn geklets even hinderlijk voor mijn trommelvliezen was als mijn vleugje rook voor zijn neus? Nee. Veilig ben ik thuisgekomen.