Niemand gebruikt kennis van de straatagent

Welke thema’s uit de rechtsstaat raakten u het diepst? Op het weblog ‘recht en bestuur’ op nrc.nl werd dit jaar het meest over kansloze asielzoekers gedebatteerd. De groep die tussen repressie en humaniteit gevangen zit. Hoe ver willen en kunnen we met hen gaan, als welvarend en menslievend land? Gevolgd door concrete kwesties tussen burger en justitie: onterechte bekeuringen, controledrift en wantrouwen in de burger. Met als goede derde privacy, politie en databank. De concrete confrontatie tussen burger en gezag dus.

Dit is tot half augustus de laatste aflevering van de rechtsstaatcolumn, vanwege de ‘zomerindeling’ van de krant. Wat wil ik nog echt kwijt? Deze column put uit de nieuwsconjunctuur, vakbladen, politiek, de rechtspraktijk en het lopende gesprek op de krant. Door Hofland ooit treffend het ‘redactie geouwehoer’ genoemd. Daar is dankzij het weblog en Twitter lezersinput bij gekomen – vanaf zaterdagochtend tien uur begint u al terug te praten(@folkertjensma). Kritisch, terzake, verrassend, aanvullend en corrigerend. U helpt me zo met nadenken en stuurt het redactiegesprek bij. Dank, ik zou niet meer zonder willen.

Behalve professionele informatie delen burgers op het weblog hun ervaringen met politie of justitie. De rechtsstaat raakt u. Overlast, normen, waarden en samenleven in Nederland. Volgens het laatste onderzoek naar ‘burgerperspectieven’ van het SCP van deze week wordt dat het grootste probleem in dit land genoemd. Groter dan (op volgorde) de economische crisis, gezondheidszorg, politiek, criminaliteit, veiligheid en integratie.

De praktijk van de rechtshandhaving komt hier overigens tekort. Reden om op de valreep de aandacht op een boek te vestigen waar ik maar niet aan toekwam. Het is een onderzoek naar politievakmanschap in de praktijk, door organisatieadviseur en hoofdinspecteur Jan Nap. Hij begon er in 2006 aan, met veldonderzoek bij de politie Amsterdam-Amstelland, in het bijzonder in de Pijp. Hij promoveerde vorige zomer. Nap is een idealist, die de praktische wijsheid uit het dagelijkse politiewerk toegankelijk wil maken voor de politieleiding. Daartoe interviewde hij bij het politiebureau in De Pijp 21 straatagenten, buurtregisseurs en politiemotorrijders. In dat hoofdstuk (6) hield ik niet op met aanstrepen. Je leert er meer over veelplegers, bekeuren, law and order, de ‘kloof met de burger’, overlast en de Marokkaanse probleemjeugd dan uit jarenlang gehoorzaam kranten lezen.

De agenten praten vrijuit over doeners en jagers in eigen kring, over onzinprojecten, over hun gedrevenheid, of hun vermoeidheid. Over het ‘stalken’ van veelplegers, over nutteloos bekeuren. Het klinkt volstrekt authentiek. Nap vond zelf dat ze bezonnen en doordacht over hun werk praten. Maar ook met een wrange ondertoon. Onderling, maar ook in de korpslijn, wordt er namelijk niet gesproken over de kern van het politiewerk. Over wat wel werkt en wat niet – wat de politie ‘eigenlijk’ wil bereiken. En hoe dan.

De politieleiding gebruikt de straat ervaringen niet om de kwaliteit van het werk te vergroten. De politie werkt verplicht ‘informatiegestuurd’ en dus ‘top-down’. Op basis van een cijfermatig model dat ‘rationele keuzes’ op basis van analyses maakt. Dat betekent dat agenten tijdens ‘projectweken’ de opdracht krijgen om parkeerontheffingen te controleren, of taxi’s, of overvalroutes af te lopen, of veelplegers. Na iedere dienst moet het aantal bonnen worden verantwoord, de ‘aandachtvestigingen’, de mutaties in de informatiesystemen.

Deze vakmensen voelen dat als georganiseerd wantrouwen – ze willen best gecontroleerd worden, maar dan op resultaten, niet op gehoorzaamheid. Het gros voelt zich professional, heeft inzicht, ambitie en weet veel meer dan stadbestuurders, politieleiders of hulpverleners van hun wijk. Inclusief ‘hun’ veelplegers. „Mij hoeft niet gezegd te worden wat ik moet doen”, echoot in veel gesprekken.

Als je dit leest, relativeer je nòg meer de hype rond de ‘top 600’ die grote steden als Amsterdam letterlijk op de korrel nemen. Agenten moeten er verplicht huisbezoeken afleggen, de ‘lichte motorrijders’ van de politie jagen ze in de binnenstad op. Ze krijgen bonnen ‘voor alles’. Maar waar leidt het toe? Veel agenten noemen het ‘stalken’. De huisbezoeken zijn zinloos – de ouders hebben er meer last van dan hun kinderen. En wat kom je doen? Wat kún je doen? De politie ziet de wijk van binnen. De gezinnen met tien kinderen in een klein appartement. Het gedwongen rondhangen op straat, waar het stadsdeel dan Mosquito’s ophangt, die de jeugd weer omzaagt. De grote bek tegen de politie en hoe je toch respectvol met ze om kan gaan, de uitgestoken hand, de zeldzame succesjes, het realisme, de grenzen die je moet trekken. Het is een geweldig relaas. Eigenlijk weet de burger (of de journalist) geen fluit van de politiepraktijk in de sociale realiteit. Je leert ook dat de politie soepel omgaat met bevoegdheden. Stopt er een Roemeense auto in een straat met hoeren? Dat leidt tot de notering ‘mensenhandel’ in het systeem. Aan twintig signaleringen „kom je zo”, zonder dat het ook maar iets hoeft te betekenen, zegt een agent. En: „We komen om in de informatie”. Vragen naar goed politiewerk van Jan Nap, dus. Voor op het strand.