Leuke cowboys

Tot de historische waaieretappe van vrijdag leek het of de klassementsrijders zich hadden neergelegd bij het sensatiemonopolie van de sprinters in de Tour. Dat misverstand is rechtgezet door Alberto Contador en Bauke Mollema.

Mark Cavendisch, Marcel Kittel, André Greipel, Peter Sagan en Alexander Kristoff blijven wel hogepriesters van de kracht der zotheid.

Rechte lijnen bestaan niet in de spurt. Alle sprinters slingeren zich van links naar rechts, duwen met de schouder en ellebogen, grijpen zich vast aan shirt en broek van de concurrent. De ultieme jump in een massasprint is als koorts – die schud je niet zomaar van je lijf.

Sprinters geven altijd de indruk dat ze een generatie eerder geboren zijn dan het gemiddelde peloton. Ze oordelen en veroordelen, geven ongevraagd commentaar op alles en nog wat, raspen vriend en tegenstander.

Eenlingen met een grote mond.

En soms met een klein hartje. Djamolidine Abdoesjaparov was zo’n gevoelig jongetje die droomde van zijn duiven in Oezbekistan. Zelf woonde hij aan het Gardameer. Hij reed ooit voor de ploeg van Jan Raas en beklaagde zich soms over de stilte in de bus. „Nooit een ploegleider meegemaakt die zo zuinig van vocabulaire was.”

Abdoe wou het wat respectvoller in gesprekken. Tot zijn laatste koersdag was hij diep gekwetst over insinuaties van collega’s als zou hij in de sprint een niets ontziende sluipmoordenaar zijn. Zelf wist hij ook wat vallen was. In 1991 kostte de groene trui hem bijna het leven tijdens de eindsprint op de Champs Elysées. Abdoe sloeg op kruissnelheid tegen de ijzeren stangen van een dranghek. Hij werd voor dood opgeraapt.

Nog steeds worden de beelden getoond van Tom Steels die in een volle sprint een drinkbus werpt naar de collega’s. Niemand begreep wat de bescheiden en verlegen Vlaming toen bezielde. Steels begreep het zelf ook niet. Jaren later zou hij zeggen dat het een opstoot van razernij was voor een linke stoot van een Fransman. „Iedere sprinter weet wat hondsdolheid is.”

Toch zien ze er in het burgerleven eerder als gelikte jongens uit. Niks woest imago, geen ballonkuiten, modieus raffinement zelfs. Type Marino Basso en Mario Cipollini. Cavendish is ruiger van taal en snit en ook Greipel heeft niet de flair van een bruidsjongen. Kittel daarentegen is een streling voor het oog. Goeie kop, afgezien van zijn kapsel dat met de haagschaar is bewerkt.

Ook mooi: extreem dankbaar voor de ploegmaats die hem feilloos naar de meet piloteren. Roy Curvers en Koen de Kort zijn nooit eerder zo genereus bejubeld als tijdens deze Tour. Na elke etappezege worden ze letterlijk in de armen genomen door de Duitse spurtbom.

Met Greipel, Kittel en Tony Martin zijn de Duitsers helemaal terug in het peloton. Jammer dat hun dat in eigen land nog steeds niet wordt nagedragen. Duitse televisiezenders blijven de Tour de France en bij uitbreiding het hele wielrennen stigmatiseren als een poel van dopingellende. Ook daarom heeft Kittel zijn toevlucht gezocht in het Nederlandse Argos-Shimano. Waar de strijd tegen doping binnen de menselijke maat wordt gevoerd. Streng maar rechtvaardig.

Het ontbreekt het Nederlandse wielrennen al enige tijd aan een supersprinter. De broertjes Van Poppel zijn beloftevol, maar hun internationale palmares blijft schraal. Ze zijn nog niet helemaal jongen af. Jeroen Blijlevens was dat in zijn tijd wel en Gerben Karstens was zelfs een beroepsprovocateur in de sprint. Volstrekt onbetrouwbaar, link als de neten, maar een heerlijke sprinter met humor en charisma.

Cowboy met een engelengelaat.

Hij verdient het geëerd te worden door een nieuwe generatie.