Je doet wat je wordt opgedragen

Harrie Nouwen (87) herkende zichzelf vorig jaar op de veelbesproken foto van geëxecuteerde Indiërs. Zulke executies waren geen uitzondering, zegt hij.

Zijn dromen gaan nooit over de executie zelf. „In mijn slaap ben ik vaak terug in Indië. Dan droom ik dat ze achter mij aan zitten. Dat ik tot aan mijn nek in het water van een rivier sta en me probeer te verschuilen. Maar dat ze me toch vinden. ‘Daar heb je hem!’, hoor ik dan uit de rimboe.” Doodsbang schrikt hij wakker.

Zulke dromen heeft Harrie Nouwen al sinds hij in 1950 als dienstplichtig soldaat in Nederland terugkeerde. Verliezer aan de koloniale kant van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Het afgelopen jaar kwamen de nachtmerries vaker en heftiger dan ooit. Een jaar geleden herkende Nouwen (87) zichzelf namelijk op een foto in de krant. Een foto die Nederland schokte, omdat die voor het eerst toonde wat uit verhalen al bekend was: dat Nederlandse militairen Indonesiërs standrechtelijk executeerden tijdens de oorlog van 1945 tot 1949.

De foto werd vorig jaar ontdekt in het fotoalbum van een overleden veteraan uit Enschede en in vrijwel alle kranten en nieuwsprogramma’s getoond. Historici konden het bloedbad niet plaatsen. De eigenaar van de foto kon het niet meer navertellen.

Na de publicatie kwam Nouwens zoon bij hem aan met het Eindhovens Dagblad en vroeg: „Pa, jij bent in Indië geweest. Herken je dit?”

Nu zit Harrie Nouwen met een kopie van die bewuste foto op schoot. De gelige zwart-witprent toont een tiental lijken van Indische mannen die in een modderige greppel dwars over elkaar heen liggen. Twee figuren die hen naast de greppel gadeslaan, dragen een uniform van de Nederlandse landmacht.

Meer kinderen en kleinkinderen zullen Indiëveteranen met de foto geconfronteerd hebben. Meer mannen van boven de tachtig zullen er emotioneel op gereageerd hebben. Maar niet meer dan vijf van hen zullen, als ze nog leven, de scène herkennen omdat ze erbij waren, zegt Nouwen. Net als hij hebben ze er tot nu toe wellicht altijd over gezwegen. „Ik heb in Indië een eed afgelegd, op koningin Wilhelmina, om alle geheimen uit het leger te bewaren.” Hij trekt de grijze wenkbrauwen boven zijn waterblauwe ogen omhoog en brengt zijn linker wijsvinger voor zijn getuite lippen. „Sssssst, mondje dicht. Dat was de afspraak.”

„Nooit had ik er met iemand over gesproken, maar toen ik die foto zag, kwam alles weer boven.” Nu wil hij erover vertellen. Uitleggen wat er aan de executie voorafging. Praten over de verschrikkingen die hij heeft moeten doorstaan. En bekennen dat het ene moment dat voor eeuwig is vastgelegd, niet de enige keer was dat zijn eenheid krijgsgevangenen maakte en doodde. „Wat je nu op televisie ziet in Syrië, wat mensen elkaar aandoen, dat deden wij ook. Zo was die oorlog. Daar is men in Nederland niet van op de hoogte.”

Hij kijkt nog een keer naar de foto. De man die met zijn geweer in de hand gehurkt bij de greppel zit en de lichamen inspecteert, dat is hij, soldaat Nouwen. De man die op een meter afstand toekijkt en een sigaret rookt, is zijn luitenant. En de slachtoffers? „Het waren er dertien of veertien. Ze moesten knielen bij de greppel, met hun handen in hun nek. Pang pang pang. Binnen twee minuten waren ze allemaal dood.”

Harrie Nouwen werd in 1926 geboren in het Brabantse dorp waar hij nog steeds woont, als oudste van twaalf kinderen in een arm en streng katholiek gezin. Van zijn grootvader leerde hij tijdens de Tweede Wereldoorlog schieten en stropen. „’s Nachts jaagden we op hazen en konijnen.”

Nouwen werd opgeroepen en gekeurd voor de Duitse arbeidsdienst, maar voor hij te werk gesteld kon worden, werd zijn dorp door de Britten bevrijd. Een nieuwe oproep kwam kort na de oorlog: hij moest zich in Oirschot melden voor zijn militaire dienstplicht. „Daar kregen we drie maanden een opleiding, en toen gingen we naar Indië. Ik kon goed leren, ik had acht klassen gedaan. Maar Indië? Ik wist niet eens waar het lag.”

Begin 1947 kwam zijn eenheid na een bootreis van een maand aan in Palembang, de hoofdstad van Zuid-Sumatra. „Ik voelde me niet thuis in Indië. Het was er vies, één groot open riool.” Niet lang na aankomst begon bovendien het offensief van de ‘eerste politionele actie’.

„Wij dachten dat we daar gingen optreden als echte politiemannen, dat we op zoek waren naar misdadigers. Ons was verteld dat de bevolking blij zou zijn dat ze door ons bevrijd werden, maar dat was helemaal niet zo.”

Zijn stem stokt en hij probeert met duim en wijsvinger zijn tranen te bedwingen. „We waren jonge broekies, ze maakten ons alles wijs. Nou, we hebben geweten hoe het echt zat.”

Omdat Nouwen altijd aan radio’s zat te sleutelen, was hem gevraagd om seiner te worden: verantwoordelijk voor de radio- en telegraafcontacten. Dat betekende dat hij meestal niet voorop in de strijd ging. Hij bleef ook op het kamp achter toen in december 1947 een patrouille van zeven man eropuit trok en al snel het radiocontact verloor. Weken later werden slechts enkele resten van de militairen teruggevonden.

„Dat is vreselijk geweest voor mijn eenheid. Die zeven man zijn verdwaald en op gruwelijke wijze afgemaakt.” Dat heeft Nouwen zelf niet gezien, maar soldaten vertelden elkaar er afgrijselijke verhalen over. „Die mannen hebben ze aan palen gebonden, spiernaakt. Die hebben ze de geslachtsdelen afgesneden en in de mond gestopt. Daarna hebben ze die, levend of dood, in de rivier gegooid.” ‘Ze’ zijn de TNI, het Indonesische republikeinse leger. „Ik denk dat het door die gebeurtenis is gekomen dat wij tot het eind van de oorlog dachten: we nemen represaille.”

Na een relatief rustige periode op Sumatra kwam zijn bataljon in 1949 opnieuw in de problemen, nu op de zuidpunt van het eiland. Dit staat ook in de geschiedschrijving van de eenheid, maar daarin wordt gezwegen over de details.

Nouwen heeft nadat hij de bewuste foto onder ogen kreeg een minutieuze plattegrond getekend van het dorp Gedong Tataan. De kampong, de huizen, de wegen, de rijstvelden, de bruggen en de greppel. „Wat daar gebeurd is, heeft de rest van mijn leven bepaald.”

Bovenaan heeft hij ‘hinderlaag’ gekrabbeld. Daarmee begon de ellende. „Ik ging er samen met een kameraad op uit om varkens te schieten. Dat kon ik goed hè, vanwege dat stropen, en ik had daar twee tamme varkens gezien. Waarschijnlijk hebben ze die gebruikt om mij uit mijn tent te lokken. Toen we dichterbij kwamen, regende het eerst kokosnoten. Die gooiden ze uit de bomen. Daarna leek het alsof heel Indonesië op me schoot. Ik voelde de kogels langs mijn hoofd zoeven. Ik had maar negen patronen en ik heb er een stuk of vijf geschoten. Ik weet niet eens op wie of wat. Toen werd mijn kameraad geraakt. Hij kon strompelend vluchten. Ik deed alsof ik geraakt was en verstopte me achter een huisje.”

Er kwam versterking, van de luitenant en nog een man of vier. Die kamden de sawa, het rijstveld, uit en verzamelden ruim een dozijn jonge mannen. De mannen wier levens eindigden in de greppel.

„Het moeten TNI’ers zijn geweest, kijk nou naar die foto. Ze zien er allemaal uit alsof ze net uit de douche komen en ze hebben schone witte broekjes aan. Niemand heeft een hoed of een doek op, dat klopt ook niet.” Volgens Nouwen was de sawa overwoekerd en kán het daarom niet dat dit boeren waren die op het land werkten. „Ze hebben snel hun pakken uitgedaan en hun wapens verstopt. Het zou toch toevallig zijn als er op dat veld alleen maar jonge mannen van dezelfde leeftijd werkten? En niemand riep om vergiffenis.”

Het was in de guerrillaoorlog in Indonesië niet altijd duidelijk wie de vijand was. Het min of meer georganiseerde TNI-leger, paramilitaire pemoeda’s en rovende rampokkers. Om ermee te kunnen leven heeft Harrie Nouwen in ieder geval zichzelf overtuigd dat het hier om militairen ging. „Ik heb wel twijfels gehad of het burgers waren. Als dat zo was, zou ik me heel schuldig voelen. Het móét TNI zijn geweest.”

Zelf schoot hij niet, zegt Nouwen. Het was zijn luitenant, die ook op de foto staat, die de mannen op een rijtje liet knielen en één voor één met een stengun in hun rug schoot. „Maar daarna liet de luitenant mij mortieren op de kampong vuren, drie of vier denk ik.” Hij wilde meer wraak. Daarbij moeten ook slachtoffers gevallen zijn, denkt Nouwen. „Wat je daar allemaal de lucht in zag vliegen, die houten huisjes. Een mortier is een nare bom.”

Daarna moest hij een telegram sturen, met een verzoek om hulp. „Maar niets doorseinen over wat wij zelf gedaan hadden. Mondje dicht.”

Binnen anderhalve dag trokken troepen van het KNIL, het koloniale beroepsleger, het gebied in. „Die hebben pas echt huisgehouden.” Nouwen herinnert zich vrachtwagens en ossenkarren vol lijken. „Sommigen met en sommigen zonder hoofd of ledematen, bedekt met bloed en vliegen, werden door het dorp gereden. Het was vreselijk, maar ik had er op dat moment ook wel begrip voor. Gek hè? Zonder het KNIL waren wij misschien allemaal de pineut geweest.”

De meeste ‘excessen’ van de koloniale oorlog zijn toegeschreven aan KNIL-militairen. „Maar wat wij met die mannen hebben gedaan, dat was niet voor het eerst. Er is nooit iemand die wij gevangen namen levend weggekomen. Meestal was het er dan maar één, soms twee of drie. Die werden gemarteld met sambal in hun ogen en op hun geslachtsdelen. Als ze antwoord gaven op onze vragen, dan schoten we ze alsnog dood. Soms bonden we er een paar aan elkaar vast en gooiden ze van een brug – dat overleef je niet. Of we lieten ze vrij, en als iemand dan dertig of veertig meter weg was: pang!”

Nouwen is niet de eerste die deze praktijk bekent. Zijn beschrijving komt overeen met die van veteraan Joop Hueting, die in 1969 de wandaden in Indië aan het licht bracht.

„Hoe vaak dat bij ons gebeurd is? Vijftig keer, misschien honderd. Je doet wat je wordt opgedragen.”

Nouwens opdracht als telegrafist was om dan zo weinig mogelijk door te seinen. „Soms meldden we: bij ontvluchting omgekomen.”

Bekend is dat het bataljon van Nouwen samen met het KNIL medio 1949 het zuidelijke deel van Zuid-Sumatra ‘zuiverde’. Maar volgens Nouwen vond het bloedbad in Gedong Tataan plaats vlak voor de soevereiniteitsoverdracht, in december 1949. Niet lang daarna kreeg het bataljon opdracht om terug naar Palembang te gaan en begon de reis naar huis. Hij weet tot op de dag van vandaag niet wat er gebeurd is met de man die met hem in de hinderlaag gewond raakte. De betrokken luitenant werd volgens hem gedood door een scherpschutter.

Terug in Nederland moest Harrie Nouwen herstellen van malaria, werd hij reclameschilder en trouwde hij een vrouw die niets van de oorlog in Indië wilde weten. „Als het op televisie was zei ze: zet die rotzooi af. Als ze iets in handen kreeg uit die tijd, verscheurde ze het. Ze heeft van alles weggegooid: zakboekjes, onderscheidingen.” Ze verbood hem ook naar reünies te gaan en het contact met zijn kameraden verwaterde. „Ze was voor mij verliefd geweest op een man die in Indië is gesneuveld.” Het onderwerp was onbespreekbaar.

De foto die vorig jaar verscheen, verwarde hem. Hij wist niet dat het incident was vastgelegd. Na de confrontatie ging hij praten, met zijn familie en met hulpverleners. Zijn vrouw was een jaar eerder overleden. „Dat maakte het wel makkelijker.”

De emoties die hij jaren had weggestopt, kwamen in volle hevigheid terug. Hij zat avonden alleen thuis te huilen bij een opgenomen tv-uitzending over de beruchte foto. Hij schreef briefjes over zijn schuldgevoel en over de mogelijkheid geld naar de kinderen in het Indonesische dorp te sturen. „En die dromen, steeds die dromen.”

„Ik heb niet op die mannen op de foto geschoten. Ik wilde geen moordenaar zijn. Maar misschien ben ik het toch. Die hinderlaag, die mortieren op dat dorpje, een ander gevecht? Ik weet het niet. Er waren zo veel doden. Het was een vreselijke oorlog.”