In het spoor van ridders

John Jansen van Galen wandelt deze zomer elke week naar een uitspanning. Deze week: Het Wapen van Heeckeren bij Hummelo.

In de schaduw van een bosrand volgen we een bochtig zandpad en zien over een maïsakker heen uit op een rij ijle, witte berken tegen een decor van stoere, donkere beuken. Dit is het coulissenlandschap van de Achterhoek – wie er van houdt, noemt het geen ‘Graafschap’. Een buizerd zweeft over, in de bermen staat berenklauw manshoog en in het bos woekert een weelde aan varens.

Tussen Doetinchem, Hummelo en Keppel is de Achterhoek bosrijker dan elders, wat op deze warme zomerzaterdag goed uitkomt. Uren lopen we zonder iemand te ontmoeten: men blijft liever onder de parasol thuis. We eten frambozen en aalbessen van struiken die op aarden wallen groeien, oplettend dat ze boven ‘voshoogte’ hangen, anders schijn je licht een besmettelijke ziekte te kunnen oplopen.

Dit is een feodale streek. De luiken van de hoeven dragen de kleuren van de kasteelheren. We komen langs havezathe Hagen, een hoge versterkte middeleeuwse boerderij, en later kasteel Keppel, dat in de Tachtigjarige Oorlog onder vuur genomen werd door bisschop Bommen Berend. Het staat nu vredig en sierlijk aan de oever van de Oude IJssel, ooit een industriële levensader, tegenwoordig een idyllisch watertje. Het straatje naar de brug is aan weerszijden omzoomd met huisjes van vroegere horigen, waarin galeries gevestigd zijn. En bij De Gouden Leeuw ligt het vergulde leeuwtje „nog net zoo met z’n gevouwen pootjes boven de luifel, bij den vlaggenstok”, zoals Nescio al schreef in Zomer 1947, maar inmiddels is het hotel een ‘zorghotel’: veel scootmobiels.

Vanaf de dijk langs het riviertje volgen we lang de vlucht van een visdiefje dat maar niet neerstrijkt. Vogelwikke en zwanenbloemen bloeien. Een graspad licht heldergroen op en mondt onder een duister dak van sparren uit op een veld van wuivend graan en opnieuw maïs, met daarachter een duister dennenbos. We gaan de Hessenweg op, waarover Duitse kooplieden vroeger hun handelswaar naar Hollandse steden brachten. En daar is, omringd door hoeven met rode pannendaken, grasland, akkers en bospercelen, Het Wapen van Heeckeren, een boerenherberg van tweehonderd jaar oud, met roodgele luiken.

Een hardstenen pomp van drie eeuwen her staat ernaast, een hoge ‘doorrijschuur’ ertegenover. Boven de ingang hangt trots het familiewapen (met fabeldieren die het wapenschild vasthouden). De Heeckerens kennen we van school door hun oorlogen in de veertiende eeuw tegen andere roofridders, de Bronckhorsten. In de tuin een zwarte loods van schietvereniging Willem Tell anno 1894.

Het café is drastisch gerenoveerd. Heel mooi, maar we krijgen haast heimwee naar de romantisch aftandse kroeg, waar de jongens van Normaal kwamen drinken en wij een enkele keer aanlegden op wandelingen. De antieke bedstee doet nu dienst als wijnkelder. Op het terras bestel ik Vlaamse wafels met warme verse kersen, voor de ‘bitterballen uit Wekerom met Doesburgse mosterd’ lijkt het ons nog te vroeg. Om ons heen klinkt onvervalst Achterhoeks.