Column

Hulp die niet helpt

Het is zonder twijfel een van de effectiefste campagnes van een vakbond uit de zeer recente geschiedenis; de strijd van FNV Bondgenoten tegen flexibel werk. Na jaren vruchteloos protesteren bedachten de dames en heren van de grootste bond een nieuwe aanpak. Dat almaar groeiende aantal flexwerkers in Nederland kan niemand wat schelen, dachten ze, dus laten we hetzelfde doen als Amerikaanse politici en zórgen dat het de mensen wat kan schelen. We gaan dat flexwerk anders framen.

En zoals de Republikeinen de erfbelasting ooit handig omdoopten tot de dodentaks (death tax) om de oneerlijkheid van die belasting de mensen eens goed onder de neus te wrijven, doopte FNV bondgenoten flexibel werk om tot onzeker werk en wegwerparbeid. ‘Stop de uitverkoop van onze banen!’ En: ‘Stop de carrousel van onzekerheid!’

Het werkte. Zelfs de minister van Sociale Zaken neemt nu het woord wegwerparbeid in de mond. En hij doet er wat aan. Lodewijk Asscher stuurde deze week een brief en een onderzoek over flexwerk naar de vakantievierende Tweede Kamer. Het onderzoek sterkt Asscher in zijn strijd tegen flexwerk. Hij wil het maximaal aantal tijdelijke contracten dat werknemers achter elkaar mogen krijgen, beperken van drie keer een jaarcontract tot twee keer een jaarcontract bijvoorbeeld.

Uit dat onderzoek (van economisch bureau SEO) blijkt namelijk dat mensen met flexcontracten daar sinds kort langer in blijven hangen. Ze bemachtigen minder snel een vast contract. De kans om langer dan drie jaar flexwerker te zijn is tussen 2006 en 2010 toegenomen van ruim 10 naar ruim 30 procent. Mede daardoor kent Nederland steeds meer flexwerk. Het aantal nulurencontracten, oproepwerk, uitzendwerk en tijdelijke contracten opgeteld steeg sinds 2000 van 17 naar 27 procent van alle banen.

De grote vraag is nu of dit een probleem is.

Voor het overgrote deel van de flexwerkers niet, concludeert ook SEO. Voor de meesten is het nog steeds een opstapje naar een vaste baan, bijvoorbeeld voor jongeren. Een grote groep krijgt dus hulp van Asscher die ze niet nodig hebben.

Hoe zit het met de rest, met degenen die blijven hangen in het flexwerk? In Nederland is het verschil in bescherming van mensen met een tijdelijk en vast contract groot, zeker in vergelijking met andere Europese landen. Dat is te rechtvaardigen als flex redelijk snel doorstroomt naar vast. Maar nu die doorstroming stokt, is het begrijpelijk dat Asscher daar wat aan wil doen. Want dan wordt het grote verschil tussen vast en flex al te oneerlijk.

Maar Asscher helpt op een manier die de positie van flexwerkers eerder verzwakt dan versterkt. De onterechte aanname achter zijn beleid is namelijk dat flexwerkers nu niet na 3 maar na 2 jaar een vast contract zullen krijgen. Aannemelijker is echter dat ze al na 2 jaar op straat staan, in plaats van na 3 jaar.

Arbeidseconomen zeggen het al jaren: bescherm de flexwerker meer, en minder mensen zullen een baan vinden. Ze zullen simpelweg hun aantrekkingskracht verliezen. In de woorden van SEO (die Asscher niet weerspreekt in zijn brief): „De ruimte voor flexibele arbeid heeft geleid tot een stimulans van de werkgelegenheid. Personen die zonder het bestaan van flexibele arbeid geen werk zouden hebben, zijn nu wel werkzaam.”

De arbeidsmarkt is namelijk ook echt een markt, geen sovjetachtig planningsysteem. Asscher kan bedrijven niet dwingen iemand aan te nemen. Op de arbeidsmarkt helpt overheidshulp niet per se. Stel bijvoorbeeld dat we het minimumloon verhogen. Dat is nou eens eerlijk, zullen veel mensen denken. Krijgen die minima ook eens wat extra’s. Maar het resultaat kan ook zijn dat zij hun baan juist kwijtraken. Want hoe hoger het minimumloon, hoe meer er van je verwacht wordt. En er zijn nou eenmaal mensen die niet zo productief zijn en dat loon voor werkgevers niet waard zijn. Die mensen zullen veroordeeld worden tot werkloosheid. Sociaal is anders.

Wat helpt dan wel? De bescherming tussen vast en flex eerlijker verdelen, door vaste werknemers minder te beschermen. Dat kan best want die bescherming is hoog, zeker vergeleken met andere landen in West-Europa. Een deel van het succes van de Duitse economie (dat we overigens niet moeten overdrijven) zit in een versobering van precies die bescherming.

Zo werkt een markt nou eenmaal. Daar kan je boos van worden – ik ben een mens en geen handelswaar – maar dat maakt het niet minder waar.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie