Het leger zit overal

Iran: revolutionaire garde groeide onder druk van VS

Als het gaat om nationale veiligheid, de waarden van de islamitische revolutie en het waarborgen van de economie staat in Iran de revolutionaire garde vooraan. De „militair-ideologische beweging”, zoals de garde zichzelf omschrijft, speelt echter zo’n prominente rol dat velen in Iran zich hierbij ongemakkelijk voelen.

De islamitische revolutie van 1979 bracht Iran een poging tot islamitische democratie, waar benoemde geestelijken samen met gekozen volksvertegenwoordigers het land regeren. De garde werd het eerste jaar van de revolutie opgericht om te voorkomen dat het leger een staatsgreep zou plegen. Mede dankzij de oorlog met Irak (1980-1988) groeide de garde snel uit tot de machtigste strijdmacht in het land. Nu heeft zij circa 150.000 man onder de wapenen. Anders dan het reguliere leger krijgt de garde de grootste budgetten en de modernste wapens. Irans raketprogramma staat onder haar leiding. Volgens het Internationaal Atoomenergie Agentschap speelde de garde ook een belangrijke rol in de beginjaren van het nucleaire programma.

In reactie op de Amerikaanse druk en Israëlische dreiging met een aanval, is de garde de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot een van de machtigste organisaties in Iran. „De invloed van de militairen moet worden verminderd”, zei de gekozen president Hassan Rohani tijdens zijn verkiezingscampagne.

De garde is overal aanwezig. Alle grote olie- en gasprojecten worden uitgevoerd door de bouwtak van de garde, sinds buitenlandse bedrijven zich onder druk van sancties tegen het atoomprogramma terugtrokken. Met het verdiende geld is de organisatie een grote speler geworden in de rest van de economie. De garde bezit aandelen in banken, levensmiddelenbedrijven, de scheepvaartindustrie, aluminiumsmelterijen en fruitkwekerijen. Hoge (ex-)- officieren bekleden hoge politieke functies. Militair is ze Irans lange arm in het buitenland. Iran steunt niet alleen de Syrische president Bashar al-Assad, maar ook de Libanese beweging Hezbollah.

Pakistan: militairen zijn welkom in bedrijfsleven

Veel Pakistanen uit de middenklasse beginnen de dag met een bordje Fauji-cornflakes. Het is een van de vele artikelen die de machtige Fauji-groep produceert. Fauji betekent ‘militair’ in het Urdu, de officiële taal van Pakistan.

De Fauji-groep, opgericht om sociale uitgaven voor militairen en ex-militairen te bekostigen, is goed voor zo’n 3 tot 4 procent van de totale waarde van de aandelen op de beurs van Karachi. Fauji zit in textiel, cement, kunstmest, voedingsmiddelen, beveiliging, gasexploratie en financiële dienstverlening.

Pakistan is in de 66 jaar van zijn bestaan ongeveer de helft van de tijd door militairen geregeerd en ook in de periodes dat ze de teugels niet in handen hadden, hebben ze altijd een grote invloed gehad. Om te beginnen door een fors deel van de nationale begroting op te slokken: zo’n 30 tot 40 procent, zes keer meer dan naar volksgezondheid gaat.

Bovendien hebben de generaals door de jaren heen hun greep op het particuliere bedrijfsleven versterkt. Ayesha Siddiqa, een onafhankelijke militaire analist die in 2007 een boek wijdde aan het onderwerp, schatte dat de militairen een derde van de zware industrie beheersen. De omvang van de economische belangen van het leger taxeerde ze op zo’n 10 miljard dollar, inclusief grondbezit op 20 miljard. Onder analisten circuleert ook een veel hoger cijfer: 100 miljard dollar. En als een bedrijf eens vastloopt, weten de militairen de staat vaak tot steun te bewegen.

Hoge militairen worden na decennia trouwe dienst vaak beloond met een stuk land. Boertjes worden door de militairen dikwijls zonder scrupules weggejaagd. De hoogste generaals kunnen tegen een symbolische bedrag waardevolle grond in Islamabad krijgen. Zo’n 12 procent van het land van de staat is zo in militairen handen.

Veel officieren, doorgesluisd naar het bedrijfsleven, waren daar welkom. Als een van de weinige instituties in Pakistan staat het leger bekend als competent en integer. Goede officieren ontpoppen zich ook vaak als goede managers.

Turkije: leger houdt de economie in zijn greep

Ook al heeft het Turkse leger in de elf jaar dat de AK-partij van premier Erdogan aan de macht is veel van zijn politieke macht verloren, militairen hebben hun tentakels nog altijd stevig in de economie. Hun belangen worden vertegenwoordigd door een bedrijf met de afkorting Oyak, het pensioenfonds van de Turkse strijdkrachten. Het werd in 1961 opgericht, maanden na de militaire coup waarbij de democratisch gekozen premier Adnan Menderes was opgehangen. Het fonds werd aanvankelijk in het leven geroepen als verzekeringskas voor nabestaanden van gesneuvelde militairen.

Via het fonds bemoeien de militairen zich met alle sectoren van de economie, van automobielen en verzekeringen tot chocolade. Volgens het laatste jaarrapport, uit 2009, heeft het pensioenfonds voor militairen 30.000 mensen in dienst en een geschat vermogen van 15 miljard dollar. Oyak is betrokken bij meer dan zestig bedrijven.

De laatste jaren werden de militairen en hun vertegenwoordigers in de zakenwereld doel van parlementaire onderzoekscommissies. En de druk van de regerende AK-partij nam toe. Honderden officieren zitten vast op beschuldiging van het beramen van een staatsgreep tegen de conservatieve regering van premier Erdogan.

Onder de verdachten is ook de voorzitter van het pensioenfonds, de gepensioneerde luitenant-generaal Yildirim Turker. Hij werd in april 2012 opgepakt omdat hij betrokken zou zijn bij de „zachte coup” die in 1997 de strenggelovige premier Erbakan ten val bracht. Tien leden van een beveiligingsbedrijf, gelieerd met het fonds zijn gearresteerd op beschuldiging van betrokkenheid bij de moord op een aantal rechters.

Volgens een rapport van de Turkse Economische en Sociale Studies Stichting (TESEV) hebben zakenlieden hun nauwe banden met het ooit machtige leger via het fonds decennialang misbruikt, bijvoorbeeld om belasting te ontduiken. Regeringsgezinde kranten beweren zelfs dat sommige bedrijven militaire inlichtingen gebruikten om concurrenten te bespioneren. Het fonds ontkent.

Er is ook een Nederlandse link. In 2007 werd de Oyak-bank verkocht aan ING, dat toen een marktaandeel van 3 procent had. Een onbekend aantal officieren dreigde spaargeld weg te halen toen ze hoorden over de overname door de Nederlandse bank. Ten tijde van de overname had de bank 1,3 miljoen klanten, onder wie 200.000 militairen.

Tijdens de landelijke protesten tegen de regering van afgelopen maand beschuldigde premier Erdogan herhaaldelijk het bedrijfsleven van betrokkenheid bij de organisatie van de demonstraties.

M.m.v. Thomas Erdbrink, Floris van Straaten en Bram Vermeulen.