Het leger zit overal

Niet alleen in Egypte, maar ook in veel andere landen is het leger meer dan een krijgsmacht. Militairen hebben daar enorme politieke invloed of grote belangen in de economie.

In de westerse wereld is een leger in essentie een gewapende verdedigingsmacht. Dat is alles. Ze speelt niet of slechts zijdelings een politieke of economische rol. Een staatsgreep is uit den boze. Denk aan de Griekse kolonels (1967-1973). Hun junta werd internationaal het leven zuur gemaakt tot ze uiteindelijk opstapte.

Maar daarbuiten is dat soms heel anders. Er zijn veel landen waar het leger grote economische belangen heeft, vaak voortkomend uit een periode van militair bewind of grote politieke invloed van de militairen.

De macht van het leger is de afgelopen dagen overduidelijk geworden in Egypte, waar de legerleiding een ouderwetse staatsgreep pleegde en zo een einde maakte aan één jaar civiel bewind. Het leger was daarvoor 60 jaar onafgebroken aan de macht geweest.

In die tijd had het gigantische economische belangen opgebouwd: geschat wordt dat het nu tussen 15 en 40 procent van de hele Egyptische economie in handen heeft.

De militairen beheersen de wapenindustrie. Ze bezitten het grootste deel van de grond. Ze hebben benzinestations, cementfabrieken en hotels. Ze zitten in de bouw en in de olijfolieproductie.

Zoveel bezit is een belangrijke reden om zoveel mogelijk greep op het bewind te houden. Maar het bleek vorig jaar niet nodig het bewind zelf in handen te houden: de legerleiding sloot een akkoord met president Morsi en zijn Moslimbroederschap. Daarin beloofden de Broeders niet aan de economische belangen van de militairen te tornen, en de bijzondere positie van het leger in de grondwet te garanderen. In de huidige grondwet is vastgelegd dat de defensiebegroting buiten de controle van civiele instanties valt.

Onder die omstandigheden had het leger er juist alle belang bij de Moslimbroederschap aan de macht te houden. Maar de massaliteit van het volksverzet tegen president Morsi bracht daarin verandering. Als garant van de nationale eenheid en stabiliteit kon het niet blijven toekijken terwijl het land vastliep.

Paradoxaal genoeg is een mogelijke democratisering van het Egyptische bestuur, voortkomend uit de routekaart naar verkiezingen die het leger na zijn coup bekendmaakte, niet in het belang van de militairen. Een echt democratisch bewind kan niet tolereren dat het leger de staat in de staat blijft die het nu is.

Egypte is lang niet het enige land waar het leger een dergelijke invloedrijke rol speelt. Neem Pakistan. Of Iran, waar het proces van uitbreiding van de economische en politieke macht van de revolutionaire garde nog aan de gang is. Het is onwaarschijnlijk dat de binnenkort aantredende president Hassan Rohani deze ontwikkeling zal kunnen stuiten. Maar Turkije toont aan dat een sterk civiel bewind inderdaad een machtig leger aan banden kan leggen. Het leger dat in 1997 nog premier Erbakan, de ‘Turkse Morsi’, naar huis stuurde, is terug in de kazernes. Talloze generaals en admiraals, onder wie de hoogste commandanten, zitten gevangen op beschuldiging van vergeefse samenzweringen om hun macht terug te krijgen.