Zaak-Snowden is geen schandaal, maar praktijk

De reacties van Tweede Kamerleden op Snowden verraden vooral een gebrek aan kennis over wat geheime diensten dag in dag uit doen, meent Constant Hijzen.

De politieke verbazing over wat klokkenluider Edward Snowden aan de kaak stelde is misschien nog wel onthutsender dan de onthullingen zelf. Snowden levert weliswaar bewijs voor het bestaan van inlichtingenprogramma’s als PRISM en het afluisteren van diplomatieke vertegenwoordigingen, maar die praktijken zijn zeker niet nieuw.

Tweede Kamerleden, die niet gewend zijn om over deze verlengstukken van machtspolitiek te debatteren, eisten zelfs ‘opheldering’ over ‘de rol’ van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten in dit ‘schandaal’. Zij drongen aan op een onderzoek door de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). Uit die reacties spreekt een gebrek aan kennis. Dit is geen schandaal, maar een praktijk die het gevolg is van de recente technologisering en groei van het inlichtingen- en veiligheidsapparaat.

Door naar de rol van onze geheime diensten te vragen, veronderstellen de Kamerleden dat die diensten in de Amerikaanse besluitvorming over het PRISM-programma een rol spelen, quod non. Ook in de formuleringen van de vragen die de CTIVD moet beantwoorden, ligt onbegrip over de inlichtingenpraktijk besloten. Zo vraagt de Kamer naar de ‘aard en omvang’ van het verzamelen, opslaan, doorzoeken en uitwisselen van data. Omdat de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten uit 2002 verplicht tot geheimhouding van ‘aangewende middelen’, ‘geheime bronnen’ en ‘het actuele kennisniveau’, kunnen de betrokken ministers (van Defensie en Binnenlandse Zaken) hier niets over zeggen. Hetzelfde geldt voor de vraag naar de toetsing op proportionaliteit en subsidiariteit ten aanzien van inlichtingen over Nederlandse burgers van buitenlandse diensten. Over de modus operandi en intelligence liaison (samenwerking tussen verschillende diensten) zullen ministers stijf zwijgen.

Het antwoord op de vraag naar de rechtmatigheid van het gebruik van data door de AIVD en diens militaire evenknie (MIVD) heeft de Kamer al in augustus 2011 ontvangen. In het toezichtsrapport uit 2011 concludeerde de CTIVD dat voor ‘het searchen van de bulk aan communicatie om potentiële targets te identificeren of te duiden’ en ‘gegevens waaruit, in het kader van een verwacht nieuw onderzoeksgebied, toekomstige selectiecriteria kunnen worden afgeleid’ geen ruimte bestaat in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten uit 2002. Daarom riep die commissie al twee jaar geleden op tot een betere omschrijving van deze praktijken en een aanpassing van de wet.

Met deze vragen komen we dus niet veel verder dan we nu zijn. Dat is zonde, want een deugdelijke parlementaire controle op de geheime praktijken is onmisbaar. Dat toonden de ontwikkelingen in Luxemburg, waar bleek dat zelfs de premier object van onderzoek van de veiligheidsdienst was, eens te meer aan.

Voor de diensten is het op grote schaal verzamelen, opslaan, doorzoeken en uitwisselen van internet- en telefoonverkeer uit het oogpunt van veiligheid en efficiency goed verdedigbaar of zelfs onvermijdelijk. Voor een samenleving zijn daarentegen zaken als privacy en de bescherming tegen onterechte aantijgingen en willekeur ook belangrijke waarden. Het parlement is nodig om toe te zien dat die waarden in voldoende mate worden meegewogen.

Zonder geheimen prijs te geven, moeten bewindslieden kunnen uitleggen waarom AIVD en MIVD over deze middelen moeten beschikken. Ook wat de consequenties, beschermingsmechanismen en verweermogelijkheden zijn. Juist met dit soort ingrijpende inlichtingenmethodes is het nodig dat Kamerleden voor en achter de schermen meekijken. Dat soort structurele parlementaire bemoeienis is echt onmisbaar.

Constant Hijzen is promovendus aan de Universiteit Leiden. Dit artikel is gebaseerd op een langer artikel dat verschijnt in het zomernummer van Socialisme en Democratie.