Tussen de kudden van de kameraden

Schrijver Anton Dautzenberg leest voor de Achterpagina romans van uitgeverij Fata Morgana. Vandaag: Late Liefde, gedichten

van Jan Pronk.

Dichters die op late leeftijd debuteren hebben als belangrijkste nadeel dat ze veel hebben gelezen. Ze missen de onbevangenheid die de eerste naïeve probeersels bemest en in het beste geval laat uitgroeien tot een eigen stemgeluid. Zo ook bij de politiek mastodont Jan Pronk, die nu op 73-jarige leeftijd zijn eerste poëziebundel publiceert. Bij elk vers, Pronk schrijft nadrukkelijk verzen, met een kop en een staart, denk ik: dit komt mij bekend voor. Ik kan er echter mijn vinger niet op leggen – waar heb ik dit eerder gelezen?

Neem bijvoorbeeld de eerste regels van het titelgedicht Late Liefde: ‘Er ontstaat in mijn hart een late liefde,/ Stil en groot,/ Die, evenals een bloem verhief de/ Stengel en kelk, zo schoot/ Door mijn borst, en door mijn ogen kliefde/ Zich een weg, en bood/ Zich aan mijn ogen bloot: een late liefde.’ Ze evoceren een archaïsch idioom dat we kennen van ergens begin twintigste eeuw. ‘Liefde’ rijmt op ‘verhief de’; dat is op zijn minst ouderwets. En dan de bloem, de Natureingang als toegangspoort tot de eigen beleving.

In het paradijs van de dichter Pronk gaat het er echter niet lieflijk aan toe. De locus amoenes wordt bij Pronk sterk geladen door ideeën, en ook dat doet denken aan vervlogen tijden. Geen ruisende riviertjes of bemoste bomen, maar strijdende kameraden die op de vuist gaan voor hun idealen. De (overigens prima) politicus Pronk schreef nadrukkelijk mee. Hij kamt opnieuw zijn idealistische veren. Dat hóéft geen probleem te zijn; de voormalige Dichter des Vaderland Ramsey Nasr liet zijn politiek program zingen als een merel in de lente. Bij Pronk klinkt het echter regelmatig als krampachtig gekras.

In Slaven van ’t Kapitaal verbindt Pronk de Geest van de kameraden met een Oceaan van makkers. ‘Zoals in zee de golf nog niet veel is/ Tussen de kudden van zijn kameraden,/ Niets dan een van hen, zo was eerst de Geest./ Maar zoals die golf die aan ’t vaste land komt,/ door de Oceaan van zijn makkers gestuwd.’ Hoofdletters en barokke beelden, zeker, maar ze missen hun uitwerking niet, je spoelt mee aan. De overdrijving staat bovendien in schril contrast met ’t Kapitaal – niet het maar ’t. De vijand moet ook met woorden worden bestreden. Niet mooi, wel effectief.

Niet bij alle verzen weet Pronk een goed evenwicht te vinden tussen vorm en inhoud. Regelmatig overschreeuwt hij zichzelf met herhalingen. Zoals in Zwemmende Zwanen. ‘Ik zag dat deze arbeidsmannen/ Nog geen Meesters waren van hun fabriek,/ Met hun lichaam en geest, maar dat zij slaven/ Waren van ’t Kapitaal.’ De slavenmetafoor verliest gaandeweg aan kracht. Wel goed getroffen is het beeld van de ‘als zwemmende zwanen’ naar moeder de vrouw snellende arbeiders.

In Late Liefde is een dichter aan het woord die wil bewegen, een gangmaker. De bundel heeft daardoor een krachtige hartenklop, een bevlógen hartenklop. De lezer voelt Pronks boodschap, daar is ook geen ontkomen aan, maar als geheel maakt de bundel geen sterke indruk. Daarvoor is de lyrische kracht van Pronk te veel gebaseerd op goede bedoelingen en met uitsterven bedreigde gouwspraak. Bovendien ontbreekt een overtuigende dramatische lijn. De dichter laat weliswaar regelmatig een (dé) arbeider voorbijkomen, maar als lezer raak je niet bij zijn lotgevallen betrokken. Daarvoor staat zijn strijd te ver af van de tegenwoordige tijd. Pronk schetst de esprit van voorbije zonnejaren die zich niet heeft kunnen vastklampen aan de vleugels van de vooruitgang. Sympathiek, maar niet meer dan dat.

Om in majeur te eindigen: het laatste vers, Elkander, is in beginsel goed opgezet, al blijft de archaïsche stijl van Pronk ook hier irriteren. De eenzame arbeider vindt eindelijk een verstandige vrouw en samen trekken zij ten strijde, de vlaggenstok in de hand. Maar eerst: ‘Vlammende waren zij niets dan elkander./ Elk was in de ander tot niets dan elkander,/ Eeuwig hoger brandende in elkander.’ Er moet dus geneukt worden voordat er wordt gevochten. Pronk toont het repetitieve gebonk (arbeiders bonken) door een geraffineerde herhaling van woorden. Dat is knap gedaan, maar tegelijkertijd rijst de vraag: waar heb ik dit eerder gelezen?

Late Liefde, gedichten, Jan Pronk, Fata Morgana, 64 pagina’s, € 12,50 (als e-book € 7,50). Op www.janpronk.nl zijn enkele gedichten gratis te downloaden. Op 16 augustus leest Jan Pronk voor op Lowlands.