Sorry, meneer, maar ik ga me niet verdiepen in de islam

Mohammed Benzakour: Yemma. Stilleven van een Marokkaanse moeder. De Geus, 220 blz. € 18,95

‘Compleet vernietigd is moeder niet, nee, ze is terzijde geschoven.’ Dat is wat er na een beroerte rest van Mohammed Benzakours yemma – ‘moeder’ in het Marokkaans. Ze is eenzijdig verlamd en kan niet praten. ‘Als dank voor haar geloofsijver en onberispelijke levenswandel besloot hij [God, red.] haar leven bij leven uit te schakelen zoals een klokkenmaker met uitgestoken vinger zijn klokken stilzet.’

In Yemma. Stilleven van een Marokkaanse moeder beschrijft Benzakour de periode waarin hij zijn moeder in een revalidatiecentrum verzorgt. In korte, indringende hoofdstukken laat hij zien wat haar ziekte met haar, maar ook met hem doet. Een hoogopgeleide migrantenzoon die met bewonderingswaardige inzet en loyaliteit pendelt tussen zijn levenswereld en die van zijn analfabete, stemloze moeder.

Liefdevol haalt hij herinneringen op aan de diepgelovige vrouw die als echtgenote van een Marokkaanse gastarbeider naar Zwijndrecht kwam. Hij schetst haar aftakeling en de kale zorg van het verpleeghuis: hij verschoont wonden, haalt vuil weg tussen vastgekoekte tenen en masseert haar handen en onderarm.

Het boek is ook een aanklacht tegen de bureaucratie en het culturele onbegrip in de zorg. Benzakour gaat er onvermoeibaar de strijd mee aan, op het drammerige en pedante af. Zijn moeder lust het Nederlandse eten niet. Ze is bang dat het onrein is, maar de kok vertikt het om iets anders te maken. De zoon neemt linzensoep met kip en Marokkaans tarwebrood mee van huis. Heimelijk smikkelen ze het op in de kelder. Het zijn de spaarzame momenten waarop zijn moeder giechelt.

Het zijn hilarische ogenblikken, ook al prikken achter je lach de tranen. Dat geldt geenszins voor de behandeling van yemma’s afasie. Ze krijgt een logopedieles per week, aan de hand van abstracte plaatjes – terwijl zijn moeder nooit naar school is geweest en geen Nederlands heeft geleerd. ‘Het maakt haar onrustig, paniekerig, onzeker.’

Omdat ze haar hele leven koranverzen heeft gereciteerd, oppert Benzakour om auditief materiaal te verzamelen dat is gerelateerd aan koranteksten en -formules. ‘Sorry, meneer, maar ik ga me niet verdiepen in de islam’, antwoordt de logopediste. Ontzet analyseert Benzakour: het is ‘een tekort aan durf, intelligentie en bereidheid om over het eigen (culturele) muurtje heen te springen.’

Wat Yemma blootlegt is dat na een halve eeuw arbeidsmigratie er ook in verpleeghuizen en de revalidatiezorg nog steeds een grens tussen de oren zit. Anders dan in de ons omringende landen, aldus Benzakour, zijn er in de logopedie geen methoden ontwikkeld voor analfabete, slecht sprekende (moslim)allochtonen. Hij voorspelt dat dit een onderwerp is dat de komende tijd steeds belangrijker wordt, nu het gros van de eerste generatie gastarbeiders bejaard is en steeds vaker in verpleegbedden belandt.

Benzakour geeft met Yemma zijn moeder met enig ongemak weer een stem. Tegelijk is zijn boek een schreeuw om migranten van het eerste uur in de winter van hun leven niet te beroven van hun menselijke waardigheid.