Paardrijden en moorden zijn moeilijk af te leren

In zijn tweede, grandioze roman voegt Philipp Meyer hebzucht, gewetenloosheid en bloeddorst toe aan de heroïsche mythes die over Texas bestaan.

Philipp Meyers debuutroman American Rust (2009), over twee jongens die op drift raken in de Rust Belt van Pennsylvania, was van een zodanig kaliber dat je je afvroeg waartoe deze schrijver nog meer in staat was. Het antwoord op die vraag geeft hij vier jaar later op verpletterende wijze met een nieuwe roman, waarin hij als locatie de geografische tegenpool van Pennsylvania opzocht (Texas) en in plaats van het Amerikaanse heden niets minder dan een geschiedenis beschrijft in de vorm van een familiesaga, die bijna twee eeuwen bestrijkt.

De zoon is een zeer ambitieus en bij vlagen glorieus boek, maar het is juist de ambitie om het verhaal tot in het heden door te trekken die Meyer uiteindelijk opbreekt. Hierdoor ontglipt het net aan het vaak misbruikte predicaat van Great American Novel.

Het gaat om zeven generaties McCullough, waarvan er drie de positie van verteller krijgen maar in wier woorden we ook de tussenliggende generaties leren kennen. Eigenlijk zijn het drie vervlochten romans, want Meyer heeft zich bediend van de niet meer uit te roeien methode van het kriskras door de tijd gaan, soms op het onnavolgbare af.

Een sleutelepisode speelt zich af aan het begin van het boek, wanneer Eli McCulloughs familie wordt vermoord door Comanches, het strijdlustige volk dat een deel van Amerika beheerst dat reikt van het huidige Kansas tot aan de Rio Grande.

Hij is dertien als zijn moeder en zuster voor zijn ogen worden verkracht en vermoord, en hij als slaaf wordt meegenomen onder de hoede van een van de stamhoofden. Hij krijgt de naam Tiehteti, leert zich aanpassen aan de indiaanse leefwijze, leeft van rauw vlees en warm dierenbloed, vergaart respect, moordt mee en deelt zijn tent met enkele squaws wanneer de mannen op rooftocht gaan. Tussendoor voert de auteur hem ook op in zijn latere gedaante, wanneer hij weer in de blanke maatschappij is teruggekeerd.

Het thema van het door de ‘wilden’ gekidnapte kind dat zich weer moet aanpassen aan de blanke samenleving is in de Amerikaanse western-mythologie allesbehalve nieuw. John Ford baseerde er zijn film The Searchers (1956) op, en ook ‘onze’ Arthur Japin werd erdoor geïnspireerd tot zijn roman De overgave (2007).

We volgen Eli/Tiehteti afwisselend in zijn Comanche-gedaante en als de genadeloze patriarch van het geslacht McCullough. Het is een van Meyers grote verdiensten dat hij de overgang van het ene in het andere personage zo geloofwaardig weet te maken.

Als de Comanches zijn gedecimeerd door blanke ziektes en honger naar grond, wordt Eli weer in de blanke samenleving opgenomen. Maar hij kan de leefwijze van zijn vorige bestaan, te midden van de indianen die zijn familie hebben uitgemoord maar voor wie hij een natuurlijke affectie heeft opgevat, moeilijk afleren. Wat hij kan is paardrijden, moorden en overleven op de prairie, en dus neemt hij eerst dienst bij de Texas Rangers en later bij de zuidelijke troepen in de Burgeroorlog, alvorens zich te storten op het verwerven van steeds meer Texaanse grond.

Maar er zijn nog twee andere levensgeschiedenissen die Meyer door het verhaal heen weeft: die van Eli’s zoon Peter en diens kleindochter Jeanne Anne. Peter is als jongeman getuige van een tweede sleutelepisode in het boek, de al even genadeloze afslachting van de Mexicaanse familie García op wier grond Eli het gemunt heeft. Het levert hem een levenslang schuldgevoel op. Hij wordt uiteindelijk verstoten, hij is de ‘grote teleurstelling’ van de familie, vooral nadat hij zich in een gepassioneerde relatie heeft gestort met María, de enige overlevende van de moord op de García’s.

Hoezeer Meyer ook probeert Peter als het ongewenste geweten van de McCullough-clan te portretteren, hij blijft met zijn zwakheid en morele visie een wat onaf personage dat vooral dient om de geschiedenis verder te voeren – een geschiedenis waarin de blanken, Mexicanen en indianen langdurig vechten om dezelfde grond. Hierbij is nog niet vanzelfsprekend wat wij nu weten: dat de blanken zouden winnen.

Jeanne Anne’s leven overlapt dat van haar overgrootvader met tien jaar en vooral in haar levensverhaal beleven we de overgang van Texas als de staat van de open vlaktes waar de cowboys hun vee lieten grazen, naar een oliebron van ongekende omvang. Meyer voert in haar personage heel sluw juist een vrouw op om die verschuiving te tonen. In haar jeugd nog voorbestemd voor een secretaresseopleiding, moet ze bij gebrek aan capabele broers niet alleen een gevecht voeren voor het behoud van de gigantische rijkdom die haar in de schoot geworpen is, maar ook om respect bij de al even genadeloze mannelijke concurrentie.

Er staan veel passages in dit boek waarvoor de waarschuwing ‘niet voor lezers met een zwakke maag’ geldt. En dan heb ik het niet zozeer over de minutieus beschreven ontleding van een bizonkarkas, als wel over bijvoorbeeld de marteling van een onfortuinlijke overlevende van een overval op een blanke familie die iets te veel de frontier had opgezocht.

Meyer romantiseert het Comanche-bestaan allerminst, niet alleen door hun wreedheid zeer uitgebreid te etaleren, maar ook door tegen het einde hun ondergang te relativeren in de woorden van een illegale Mexicaanse arbeider, de achterkleinzoon van Peter. ‘Zijn volk had het land van de indianen gestolen, en daar had hij geen moment over nagedacht – hij dacht enkel aan de Texanen die het van zijn volk hadden gestolen. En de indianen van wie zijn volk het land had gestolen, hadden het zelf weer van andere indianen gestolen.’

Er is geen staat in de VS waarvan de geschiedenis zozeer in de vorm van heroïsche mythes is beschreven als Texas. Meyer voegt aan die geschiedschrijving in romanvorm hebzucht, bloeddorst en gewetenloosheid toe. Maar zijn ambitie strekt iets te ver en dat wreekt zich tegen het einde van het boek, als hij alle losse eindjes naar het heden wil doortrekken. Dan worden ook 9/11 en de Eerste Golfoorlog in het relaas betrokken en komen er verwijzingen naar Jeanne Anne’s kinderen en kleinkinderen die elk op hun eigen manier niet tegen de bizarre rijkdom van de familie opgewassen lijken te zijn. Er is zelfs sprake van een drugsverslaafde afstammeling.

Een wel heel kunstmatige ingreep bewaart hij voor het slot, als het schild van de laatste afgeslachte Comanche versterkt blijkt te zijn met katernen uit een uitgave van Gibbons Neergang en val van het Romeinse Rijk, een boek waaraan ook het motto van het boek is ontleend: ‘...de wisselvalligheden van het lot, dat de mens noch zijn meest trotse werken ontziet, storten rijken en steden in een gemeenschappelijk graf.’

Maar een grandioos boek, desondanks. In de wervende woorden van hedendaagse uitgevers en boekverkopers zou het aanbevolen worden als: voor liefhebbers van Larry McMurtry en Cormac McCarthy. En toch weer heel anders. Als ik me niet vergis, zal er over niet veel jaren de aanbeveling klinken: voor liefhebbers van Philipp Meyer.