Natuurlijk helpen ze hun neefje op school

Negen van de tien allochtone studenten helpen jongere kinderen bij hun huiswerk. Ze weten hoe ze zelf hebben moeten ploeteren.

Negen van de tien Marokkaanse en Turkse studenten helpen vaak broertjes, zusjes, neefjes, nichtjes, of buurjongetjes om zo goed mogelijk te presteren op school. Vier op de tien zetten zich in als huiswerkbegeleider of mentor - veel meer dan autochtone studenten.

Dat zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek Pathways to Success van Maurice Crul, hoogleraar onderwijs en diversiteit aan de Vrije Universiteit, en onderzoekers Ismintha Waldring en Sara Rezaï van de Erasmus Universiteit.

Waarom helpen de studenten zo vaak jonge kinderen?

Crul: „Omdat ze zelf veel hindernissen hebben moeten nemen. Het gaat om de eerste lichting hoogopgeleiden van de tweede generatie. Kinderen van gastarbeiders, zeg maar. Vrijwel nooit kregen zij op de basisschool een vwo-advies, ook niet als ze slim genoeg waren. Hun weg naar hogeschool of universiteit loopt vaak via het vmbo, mbo. Vaak hebben hun ouders er nauwelijks een idee van welke opleiding hun zoon of dochter precies doet. Het zijn allochtone yuppen, met een missie. Daarnaast is er sprake van een zekere sociale druk. Zo van: hij heeft gestudeerd, hij zal het wel weten.”

Waarmee helpen ze de kinderen?

„Met het schoolwerk. Maar ze gaan ook mee naar school als dat nodig is, ze adviseren de ouders, spreken met de leraren. Vier op de tien hoger opgeleiden doen mee aan projecten die de volgende generatie vooruit moeten helpen. Dat varieert van huiswerkbegeleiding en mentorschap tot een soort ‘rolmodellenproject’. Dat vinden ze zelf erg belangrijk. Autochtone studenten zijn individualistischer, meer met zichzelf bezig.”

Hoe doen deze jongeren het op de arbeidsmarkt?

„Goed, zo blijkt uit eerder Europees onderzoek. Als je op eigen kracht zo’n onderwijscarrière volbrengt, dan zegt dat wat over je karakter. Dan ben je een doorzetter, een volhouder. Kenmerkend voor deze groep is dat ze zich onder geen beding in een slachtofferrol laten drukken. Ze ervaren soms discriminatie, maar ze vinden dat je dan maar wat harder moet knokken. Het duurt, vergeleken met autochtone afgestudeerden, iets langer voor ze een baan hebben. Maar het lukt wel. Hebben ze een baan, dan groeien ze vrij snel door. Tenminste, vóór de economische crisis.”

En nu?

„Nu komen deze afgestudeerden veel minder makkelijk aan de slag. Dat geldt ook voor autochtonen maar veel sterker voor hen. De werkloosheid onder allochtone hoogopgeleide jongeren is drie keer zo hoog als onder autochtone. Allochtone jongeren missen een netwerk dat toegang biedt tot hooggeschoold werk. Zelf hebben ze dus, ondanks hun goede opleiding, ook hulp nodig: bij het vinden van een baan. Daarnaast zouden ze, als ze een baan hebben, meer gecoacht moeten worden zodat ze zich kunnen ontwikkelen tot leidinggevende.”

Gebeurt dat ook?

„Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat ons onderzoek mede betaalde, wil samen met de Sociaal-Economische Raad coachingsprojecten opzetten. Het is belangrijk dat er niet alleen aandacht is voor laag-, maar ook voor hoogopgeleide allochtone jongeren. Want als zij het niet redden op de arbeidsmarkt, of ver onder hun niveau werken, is dat een slecht signaal voor die broertjes, neefjes en buurmeisjes die ze juist zo graag omhoog wilden trekken.”