Liever een eigen nest vlechten

Naomi Rebekka Boekwijt: Pels. De Arbeiderspers, 123 blz. € 17,95

Er is een feestje op het platteland, voor ‘een veelbelovende jongen’. ‘De uitnodiging gaf alleen aan dat er iets was. Geen imperatieven, geen dwang. De afwezigheid van dwang maakt dat ik ook de ervaring van vrijheid verlies.’

Ziedaar de aantrekkingskracht – en meteen ook de relativering – van het platteland, in het openingsverhaal van Naomi Rebekka Boekwijts debuutbundel. Meisje trekt naar ‘buiten’, want daar is ze vrij. Want de mensen glimlachen daar oprecht, en niet ‘beangstigend’ zoals in de stad, ‘waar het altijd duidt op iets wat maar al te voor de hand liggend is en wat tegelijkertijd verborgen moet blijven’.

Puurheid. Dierlijkheid. Ruigheid. Daar draait het om in de zeven verhalen in Pels: die titel geeft het al iets wilds, wilder in elk geval dan het aaibare ‘vacht’, het woord dat je toch eerder zou gebruiken bij de paarden en koeien die de verhalen bevolken. Soms laat Boekwijt (1990) haar personages oprecht gelukkig zijn met de ruimte die het rurale hen biedt: ‘Liever een nest om me heen vlechten tussen het riet, met de wereld als tuin en vogels als buren. In de stad wilden ze dat ik me bij hen voegde, dat ik mijn cellen in de voegen van de straten en gebouwen zou smeren.’

Dat lijkt eentonige plattelandsnostalgie, maar vergeet niet dat het stadsmeisje uit het eerste verhaal die ‘ervaring van vrijheid’ weer verliest, waarmee Boekwijt het iets dubbels geeft: die vrijheid wordt vooral gevoeld door stadsmensen die het willen voelen. Zo blijven de verhalen in Pels oprechte odes aan het landleven, maar niet omdat het platteland zo geweldig is, maar omdat de mensen daar die geweldige vrijheid zoeken.

Eenduidig is het niet, en zo dwingt Pels bewondering af. De kinderen die teruggaan naar een sektarisch dorp om daar hun beknottende ouders definitief de rug toe te keren, vinden de vrijheid juist in de stad. Of lopen ze, begeleid als ze worden door ene Marten die hun ‘verlosser’ lijkt te zijn, achter de volgende rattenvanger van Hamelen aan? ‘Hij had iets onwaarachtigs, alsof hij elk moment een hologram kon blijken te zijn.’

Boekwijt schrijft vaker zulke zinnen, die eerder in steen gebeiteld lijken dan vrijelijk uit haar pen gevloeid. Dat gaat niet altijd goed: vaak schrijft ze prettig knoestig, soms onhandig (‘Toen er een paard met koets langsdaverde, sprongen we haastig in de berm’, mijn cursivering) en soms wil ze zo mooi schrijven dat het wat stijfjes wordt: ‘Fragmenten bleke hals schenen door amandelkleurige krullen heen.’ Maar in haar aftastende beschrijvingen van relaties tussen mensen (die ook op het platteland moerassen van onzegbaarheid blijken) is ze sterk. Laat haar doorschrijven over dat platteland, over die vrijheidsdrang.

Waarmee ik maar wil aangeven dat er reden is tot een feestje voor een veelbelovende schrijfster.