Immigratie en onbehagen

De hoge aantallen immigranten en het overdreven respect voor hun ‘anders zijn’ bedreigen de Britse solidariteit, schrijft journalist David Goodhart.

Het voormalige Britse imperium heeft, als postkoloniale grootmacht die aanvankelijk de grenzen opende voor haar merendeels gekleurde onderdanen, altijd moeite gehad de onderwerpen immigratie en racisme van elkaar te scheiden. In de jaren zestig hoorde ik mijn upper class-werkgevers onbeschroomd praten over eminente universitaire collega’s aan wie ‘a brush of the tar’ (een lik met de teerkwast) niet voorbij was gegaan. In Notting Hill, toen een vervallen Londense wijk, adverteerden huisjesmelkers met: ‘No blacks, no dogs, no Irish’.

De Conservatieve politicus Enoch Powell werd weliswaar ontslagen omdat hij (in 1968) voorspelde dat ‘binnen vijftien tot twintig jaar de zwarten de overhand zullen hebben over de blanken’, wat zou leiden tot ‘rivieren schuimend van bloed’. Maar dat was meer omdat hij niet openlijk mocht zeggen wat velen met hem dachten.

Rassenrellen in Londen en Liverpool in de jaren zeventig leidden tot allerlei maatregelen tegen discriminatie. Maar nog in de jaren negentig was Scotland Yard volgens een officieel onderzoeksrapport ‘vergeven van racisme’. Dat bleek onder meer uit het feit dat het de moord op de zwarte student Stephen Lawrence nooit echt had uitgezocht.

Seksmisdrijven

Inmiddels is de slinger naar de andere kant doorgeslagen. Zo bleek onlangs dat groepen mannen van Pakistaanse afkomst in de Midlands en rond Oxford tien jaar de vrije hand hadden gekregen om collectief seksmisdrijven jegens minderjarigen te bedrijven, omdat de politie ze vanwege hun etniciteit niet durfde aan te pakken.

De angst nog – of weer – te worden uitgemaakt voor racist, heeft een beleid van multiculturalisme aangedreven, dat er onder meer toe heeft geleid dat er over het beperken van immigratie nauwelijks openlijk gepraat kon worden. ‘Overijverig multiculturalisme’, noemt David Goodhart dat in The British Dream, zijn boek over ‘de successen en mislukkingen van naoorlogse immigratie’.

Goodhart, directeur van de links-liberale denktank Demos en oprichter van het opinieblad Prospect, concludeert dat dit overijverig multiculturalisme het Verenigd Koninkrijk enerzijds tot een opener samenleving heeft gemaakt. Maar anderzijds ontstond er volgens hem zo een onwenselijke ‘hokjesmaatschappij’. Over een jaar of zeven zal een kwart van de Britse bevolking uit etnische minderheden bestaan, voldoende om aanhoudende segregatie gevaarlijk voor de maatschappelijke samenhang te maken. Er is daarom volgens hem dringend behoefte aan een politieke cultuur van integratie om te voorkomen dat er hetzij ‘Nederlandse toestanden’ ontstaan (opkomst van ultrarechtse partijen), hetzij dat Britse grote steden gaan lijken op – pakweg – Baltimore of New Orleans, met een grote onderklasse die gescheiden leeft van andere Britten.

Goodharts goed geschreven en deugdelijk onderbouwde boek verschijnt op het moment dat immigratie prominent figureert in de publieke debat. Bij de lokale verkiezingen in mei van dit jaar veegde de anti-immigratie- en anti-Europapartij UKIP (United Kingdom Independence Party) de vloer aan met de Conservatieven. UKIP zou bij de Europese verkiezingen in 2014 wel eens als grootste kunnen eindigen als partijleider David Cameron niet bijdraait naar rechts, vrezen zijn partijgenoten.

Een groot deel van zijn achterban heeft genoeg van ‘massale’ immigratie, of die nu van binnen of van buiten de EU komt. De voorspelde toevloed van misschien wel 350.000 Bulgaren en Roemenen, die vanaf januari 2014 in het Verenigd Koninkrijk mogen komen werken, draagt bij aan wijdverbreid gevoeld onbehagen. Tegen de achtergrond van de economische crisis, heeft de Conservatief-Liberale coalitieregering Cameron-Clegg al UKIP-achtige maatregelen aangekondigd: nieuwkomers die moeten betalen voor de (gratis) gezondheidszorg, illegale migranten die geen rijbewijs krijgen, huisbazen en werkgevers die de legaliteit van het verblijfsrecht van hun werknemers/huurders moeten controleren op straffe van boetes. De angst beschuldigd te worden van racisme of van een opstelling als ‘benepen Engelsman’ wordt hier ondergeschikt gemaakt aan politiek pragmatisme.

Goodhart neemt het in zijn boek op voor een zekere mate van dit little Englander-denken, omdat, zegt hij, de basis voor sociale solidariteit ondergesneeuwd wordt door de lofzang op de zegeningen van ‘diversiteit’. Hij heeft kritiek op zijn eigen klasse, die van de Guardian-lezende, naar links leunende, kosmopolitisch denkende middenklasser-met-gezond-verstand. Die is het zich hechten aan een natiestaat kleinburgerlijk gaan vinden, en maakt zich – onder het motto ‘alle mensen zijn gelijk’ – eerder druk om de verdrukte medemens in, zeg, Burundi, dan om een economisch benarde buurman verderop in de eigen straat.

Goodhart meent dat juist liberaal-links, dat zich om immigratie minder druk maakt, hier een dilemma heeft: waar houdt het dogma van diversiteit op en begint de nadruk op noodzakelijke sociale solidariteit?

Emotionele solidariteit

Goodharts stelling is: welfare democracies, westerse democratieën met een verzorgingsstaat, stellen hoge eisen aan hun burgers, al was het maar door ze eenderde van hun inkomen te doen afdragen om de sociale voorzieningen te bekostigen. Die burgers moeten het gevoel houden dat dat geld ten goede komt aan mensen die onderdeel uitmaken van ‘hetzelfde team’, mensen die emotioneel als medeburgers voelen. Door de nieuwe individualisering en door de opkomst van internet, waardoor netwerken wel wijder, maar ook oppervlakkiger worden, kan die ‘emotionele solidariteit’ bij ongewijzigd beleid ‘in twee generaties verloren gaan’, aldus Goodhart. Met permanente segregatie als gevolg.

Achtereenvolgende Britse regeringen van verschillende politieke kleur hebben massaal immigratie toegelaten, zonder acht te slaan op de aard van de Britse identiteit. Dat ging goed zolang de aantallen beperkt bleven: 4 miljoen in de jaren 1950-1990, maar onder Labour (vanaf 1997) nog eens, vrijwel ongecontroleerd, 4 miljoen. Dat zijn jaarlijks meer immigranten dan in de hele periode tussen 1066 en 1950, berekent Goodhart. Het beroep dat nieuwkomers doen op de sociale voorzieningen, gecombineerd met de overmatige eerbied voor hun ‘anders zijn’, bedreigt volgens hem het – onuitgesproken – ‘sociale contract’ tussen overheid en burgers.

De oplossing? Een ‘Verenigd’ Koninkrijk van Engelsen, Welshmen, (Noord-) Ieren en Schotten, die elk een eigen soort zelfstandigheid nastreven, maakt de omschrijving van een Britse identiteit er niet gemakkelijker op. Goodhart zoekt het meer in het propageren van een ‘gevoel van erbij horen’. Hij prijst de burgerschapscertificaten, die sinds 2004 met enig vertoon en onder het portret van de Koningin worden uitgereikt aan hen die de inburgeringscursus hebben voltooid, als een goede eerste stap. Maar hij zoekt het ook in het propageren van emotionele verbondenheid: het genieten van de Engelse taal, van het landschap, van de Britse humor, van het wij-gevoel, van een gedeeld, hoewel divers verleden, dat zo zichtbaar werd in de openings- en sluitingsceremonies van de Olympische Spelen van 2012 in Londen.

De ultrarechtse Conservatieve politicus Norman Tebbit, Margaret Thatchers goede vriend, werd er nog om uitgekreten toen hij zei: het gaat bij de vraag naar integratie om de ‘crickettest’. Voor wie juichen (afstammelingen van) Indiase, Pakistaanse, Bengaalse immigranten bij een cricketwedstrijd tegen Engeland? Tebbitts gewenste antwoord was: ze moeten juichen voor Engeland. Goodhart meent dat ze moeten kunnen juichen voor beiden, zonder zich te schamen dat ze óók Engels zijn. Zoals de Engelsen, de Noord-Ieren en de Welsh afgelopen zondag deden om Wimbledon-kampioen Andy Murray, die hoewel Schot, opeens een beetje van iedereen in Groot-Brittannië is geworden.