Ieder zijn topstuk

Morgen bestaat het Kröller-Müller Museum 75 jaar, wat wordt gevierd met de tentoonstelling ‘Top 75’. Het nodigde 24 bekende Nederlanders uit een audiotour bij ‘hun’ topstukken te maken. Een voorproefje van de tour van vier van hen.

‘Wat is dat eigenlijk, een topstuk?” vraagt cabaretier Jeroen van Merwijk zich af aan het begin van zijn audiotour voor het jarige Kröller-Müller Museum. „Mij kan het niks schelen of een beeld of schilderij een topstuk is. Kunstenaars gaan ook niet zitten met het idee: nu ga ik een topstuk maken.” Wat de één een topstuk vindt, wil Van Merwijk maar zeggen, daar vindt de ander geen moer aan. En wat in de ene eeuw nog goed gevonden wordt, kan een eeuw later prutswerk zijn.

Iedereen heeft zijn eigen topstukken, dat wil het Kröller-Müller laten zien met de jubileumtentoonstelling Top 75. Ter gelegenheid van zijn 75-jarig bestaan maakte het museum een selectie van 75 pronkstukken uit de collectie – inderdaad algemeen aanvaarde topstukken van kunstenaars als Van Gogh, Judd, Picasso, Mondriaan en Brancusi. Maar het museum nodigde ook 24 Nederlanders uit – kunstenaars, politici, acteurs, schrijvers en wetenschappers – om hun persoonlijke visie op de collectie los te laten. Dat heeft geleid tot 24 verrassend intieme en eigenzinnige audiotours vol onverwachte voorkeuren. Zo is Jeroen van Merwijk gevallen voor een adelaarsculptuurtje van inuit-kunstenaar Toonoo Sharky („grote volkskunst”). En wat filosoof Coen Simon betreft is Jan Fabres performance Is the brain the most sexy part of the body? een absoluut meesterwerk.

Van Merwijk is verreweg de recalcitrantste rondleider. Hij maakte van zijn audiotour een sarcastische onemanshow waarin hij afrekent met heilige huisjes. Over de bekende lichtsculptuur van Bruce Nauman die bezoekers bij de entree van het museum verwelkomt, zegt hij: „Ik heb wel eens betere neonreclame gezien.” En Vincent van Gogh vindt hij eigenlijk maar een middelmatige kunstenaar. „Echt zo’n schilder die laat zien dat je met hard werken en veel studeren een heel eind kunt komen.”

Het populairste kunstwerk onder de BN’ers is l’Homme qui marche II van Alberto Giacometti, dat in maar liefst acht van de audiotours voorkomt. Volgens schrijver Abdelkader Benali verbeeldde Giacometti een „tanig lichaam dat niet meer weet wanneer het begonnen is met lopen en niet meer durft te stoppen met lopen uit angst de toorn van de wereld op zich te krijgen”. Politicus Alexander Pechtold moest bij ditzelfde beeld vooral denken aan de fraudezaak rondom valse Giacometti’s die een paar jaar geleden speelde. „Wat als ook dit beeld vals zou zijn, zou ik er dan minder van genieten?”

Benali is de woordkunstenaar die Umberto Boccioni de „I-did-it-my-way van de beeldhouwkunst” noemt en Joep van Lieshouts Mobile Home omschrijft als „een kunstenaarslolly waar we allemaal een likje van mogen nemen”. Pechtold, opgeleid als kunsthistoricus, is de didacticus die verhaalt over de achtergrond van schilders als Isaac Israels en Jan Sluijters. Maar die het als politicus ook niet laten kan om Picasso te roemen vanwege zijn politieke opvattingen. En Mondriaan? Dat was volgens hem een echte hervormer, iemand die in zijn tijd niet begrepen werd maar intussen belangrijke veranderingen doorvoerde. Net als D66, hoor je hem bijna zeggen.

Top 75. 13 juli t/m 17 nov. in het Kröller-Müller Museum, Otterlo. Inl: www.kmm.nl