Ieder land krijgt de die het rij verdient

Het is weer zomer: grote publiekstrekkers doen aan ‘rij-management’ „In de rij staan is deel van de beleving”, zegt de Efteling Ilja Leonard Pfeijffer brengt een ode

Illustratie Tjarko van der Pol

schrijver en columnist

De leukste rij waarvan ik ooit deel heb uitgemaakt, bevond zich in het afgelegen Griekse kustplaatsje Astakos. Ik wachtte daar op de veerboot naar het eiland Ithaka. Omdat ik op de kade nergens iemand zag die op enigerlei wijze een officiële indruk maakte, informeerde ik bij de uitbater van de enige taverne hoe laat de boot te verwachten viel.

„Ja, ik denk het wel.”

Ik bedoelde eigenlijk te vragen naar de precieze aankomsttijd.

„Hij zal vanavond waarschijnlijk wel komen.”

En vertrekt hij dan van deze kade?

„Meestal wel.”

En waar moet ik dan wachten?

Hij glimlachte. „Hier.” Hij wees met een uitnodigend gebaar naar zijn terras. „Ik heb vanavond uitstekend lamsvlees. Zal ik wat gemengde voorgerechten doen? Dan tussendoor wat gegrilde vis? Karaf wit erbij?”

De boot arriveerde uiteindelijk rond een uur of tien. Ik was nog lang niet uitgegeten. Het lamsvlees was nog niet eens uitgeserveerd. In lichte paniek vroeg ik de uitbater of ik het hoofdgerecht misschien nog kon afbestellen. Hij klopte mij geruststellend op mijn schouder en wees toen om zich heen. „Iedereen die hier zit te eten, wacht op de boot. En hij vertrekt heus niet eerder dan dat de laatste van mijn klanten zijn digestief achter de knopen heeft. Dus doe rustig aan.”

Zo, dacht ik. Nu zijn de rollen eindelijk een keer omgedraaid. In plaats van dat de rij moet wachten om te worden toegelaten tot de attractie, moet de attractie wachten tot de rij zich genegen toont om te komen opdraven.

De rij vormt een boeiend cultureel fenomeen. Alle vooroordelen die er bestaan over volksaard, worden glansrijk bevestigd door de wijze waarop er in verschillende culturen al dan niet in de rij wordt gestaan. Wat is er Engelser dan het verschijnsel van de bus cue? En ik ken de Engelsen goed genoeg om te weten dat het feit dat zelfs de wijze waarop een klein kluitje mensen op straat op de bus staat te wachten wordt gereguleerd, een adequate illustratie vormt van hun wantrouwen jegens alles wat de verdenking van spontaneïteit op zich kan laden.

Ook in India wachten mensen op de bus. Een vriend van mij heeft daar onlangs een lange reis gemaakt en hij vertelde mij hoe dat eraan toegaat. Indiërs hebben geen horloges, zei hij. Ze gaan lukraak naar een bushalte en daarbij kiezen ze bij voorkeur de halte waar de meeste mensen staan te wachten. De vraag of de juiste bus van die specifieke halte zal vertrekken, is irrelevant. Want het gaat erom iemand te ontmoeten. Meestal nemen ze de bus uiteindelijk niet eens, omdat ze inmiddels met een nieuwe vriend al andere plannen hebben gemaakt.

Italianen kunnen het niet. Met Italiaanse rijen wil het maar niet lukken. Ze proberen het wel, maar altijd is er dan wel weer iemand die op grond van het feit dat hij een vriend is van de eigenaar of een neef van de buurvrouw van de verantwoordelijke beambte, meent dat hij belangrijker is dan de anderen en daarom vóór mag.

Er zijn vijftig wachtenden voor je

Daarom hebben ze het hier en daar geprobeerd te reguleren. Zoals bij het postkantoor. In Genua is dat het Palazzo delle Poste in Via Dante. Dat is een hoog, statig gebouw en je voelt onmiddellijk dat het niet aan eenieder is vergund om daar binnen te treden. Voor elke transactie moet je een nummertje trekken. Het systeem is met opzet zo ontworpen dat je vrijwel per definitie het verkeerde soort nummertje trekt. Als het je toevallig lukt om een nummertje voor het juiste soort transactie te pakken te krijgen, blijkt dat er nog minstens vijftig wachtenden vóór je zijn, terwijl er voor het type nummertje dat je hebt getrokken maar één loket open blijkt te zijn. Buiten op straat hebben zwervers een lucratief handeltje opgezet waarbij je voor een geringe vergoeding een laag nummertje kunt aanschaffen in elke denkbare categorie. Als het druk is, gaat dat per opbod. Er doen verhalen de ronde van eerzame burgers die daaraan niet wilden meedoen en gewoon een pakje wilden verzenden en die drie dagen en nachten hebben doorgebracht in het Palazzo delle Poste. Het nummertje in hun verkrampte knuisten was vergeeld en onleesbaar geworden op het moment dat het eindelijk hun beurt was.

De grootste expert op het gebied van rijen die ik ooit in mijn leven heb ontmoet, is mijn goede vriendin Gelya. Zij is opgegroeid in de stad Novokoeznjetsk in Siberië. Het grootste gedeelte van haar jeugd heeft zij doorgebracht in rijen. Als je ergens op straat een rij zag, ging je er automatisch achter staan, want een rij was het teken dat ze kennelijk iets verkochten wat normaal gesproken niet te krijgen was. Het maakte niet uit wat het was. Dat zou je vanzelf wel zien als je eenmaal aan de beurt was. Zij hoopte er altijd op dat ze ijsjes hadden. In de Sovjetunie bestonden er twee soorten. Wit ijs en bruin ijs. Net als brood. En omdat rijen voor haar een symbool waren van de hoop op ijs, krijgt zij tot op de dag van vandaag een gelukzalige glimlach op haar gezicht als ze ergens in de rij mag staan.