Een moderne solo op een instrumentje stokoud

De eeuwenoude ngoni is het belangrijkste instrument van Mali Bassekou Kouyaté stoomt de ngoni klaar voor de 21ste eeuw Het is bovendien een instrument voor vrede

Medewerker muziek

Op een dag hoorde Jelimusa Wulen Kouyaté flarden muziek vanaf de oever van de Niger komen. Toen hij ging kijken, zag hij een djinn (een geest) die een klein snaarinstrument bespeelde. Het klonk prachtig. Kouyaté vroeg de djinn om een gift. „Hier, je mag het instrument en het liedje hebben”, zei de djinn. Zo kreeg hij de allereerste ngoni.

Dat was bijna duizend jaar geleden, ergens in de Malinese woestijn. In 2007 nam een directe afstammeling van Musa Wulen een nieuwe versie van het liedje van de djinn op en noemde het ‘The River Tune’. Het staat op de cd Segu Blue, waarin Bassekou Kouyaté ook het verhaal van de ngoni en de djinn vertelt.

Bassekou Kouyaté speelt ngoni omdat zijn vader ngoni speelde en zijn grootvader en zo terug tot Musa Wulen. Bassekous zoons spelen ook. De Kouyatés zijn griots, een familielijn van Malinese profmuzikanten. Griots vertellen de geschiedenis van het land, ze zingen voor politici, voor het volk en voor de eenheid. Kouyaté vervult die rol met eerbied, want zo gaat het al eeuwen. Maar hij is ook een revolutionair.

„De ngoni was het instrument waarmee je voor koningen speelde.” Kouyaté klopt op de smalle klankkast van het langwerpige instrumentje op zijn schoot. In een kleedkamer in Nijmegen gaat hij helemaal op in zijn geschiedenisles. „Het is het belangrijkste instrument van Mali. Je hoort het in vrijwel alle traditionele muziek, maar meestal op de achtergrond.”

Koeienhuid en duct tape

Zijn experiment loopt al langer, maar op het album Jama ko van dit jaar blijkt pas goed hoe Kouyaté het instrument heeft klaargestoomd voor de 21ste eeuw. Zijn band Ngoni ba, die volledig uit familieleden bestaat, speelde het afgelopen jaar regelmatig in Nederland en het waren indrukwekkende, swingende concerten. Op drums en percussie na zijn de ngoni’s de enige instrumenten.

Op de met koeienhuid overspannen kalebas is met duct tape een plug en een element uit een elektrische gitaar ingebouwd. Dat was nog een simpele aanpassing. „We hebben veel geëxperimenteerd om de ngoni de rol te geven zoals een gitaar die heeft in een rockband: slag, bas en solo.” Dat vereiste de ontwikkeling van een heel nieuwe versie die de baslijn kan doen, en hij zette een extra snaar op de oude, grotere ngoni.

Er is wat bravoure voor nodig om een instrument na tien eeuwen drastisch te veranderen. Ngonispelers zaten altijd op de grond, terwijl grote blikvangers zoals de kora (21-snarige luit) en balafon (xylofoon) op de voorgrond traden. Als tiener werd Kouyaté voor gek verklaard dat hij opeens opstond tijdens optredens om te soleren. „Van oudsher is het een begeleidingsinstrument, nooit bedoeld voor solo’s. Het was de grote gitarist Ali Farka Touré die mij aanspoorde om een soloproject voor ngoni te doen.”

Oorlog

Amerikaanse bluesgitaristen als Taj Mahal herkenden in de ngoni de banjo, maar voor de grotendeels traditionele liedjes van Segu Blue waren heel wat aanpassingen nodig om ze aanvaardbaar te maken voor westerse oren. De originele versies waren door de eeuwen volgestroomd met verwijzingen die ongetrainde luisteraars nooit konden volgen.

Dat album introduceerde de familie Kouyaté aan een internationaal publiek. In Mali heerste toen nog vrede en Kouyaté zong, geheel volgens de traditie van de griots, vaak voor de zittende president. Dat verandert in maart 2012 op de dag dat hij met zijn zoons, neven en vrouw in Bamako de studio in gaat om het album Jama ko op te nemen. Ze zijn net begonnen als ze schoten horen: de militaire coup waarvan de gevolgen nog altijd voortduren. In plaats van de opnames te stoppen, draait Kouyaté de volumeknop omhoog. Nadat radicaal-islamitische groepen het leger uit Noord-Mali verdreven, en het gebied een rigide versie van de islam oplegden, is het noorden nu gevaarlijk voor muzikanten. In Mali heerst achterdocht en discriminatie.

„Weet je, dit instrument is ook een instrument voor vrede. Als er conflicten zijn probeert de griot te pacificeren. We spelen, we zingen, we praten. Maar dit is een lastige oorlog van mensen die niet willen luisteren.”

In Bamako is minder muziek te horen dan voorheen, vertelt hij. Er zijn veel muzikanten in de stad, maar de mensen gaan steeds minder uit. „Ik zing liedjes met de boodschap dat we een volk zijn. Het helpt. Een klein beetje.”

Bassekou Kouyaté & Ngoni ba op North Sea Jazz: zaterdag 13 juli 21.00 uur, Congo.