‘Doe het niet, zou je willen schreeuwen’

Historicus Bart van der Boom schreef een boek over wat Nederlanders tijdens de oorlog wisten over de Holocaust. Van sommige vakgenoten kreeg hij veel kritiek. ‘Joden en niet-joden wisten niet genoeg.’

Bart van der Boom: ‘Wie iets ongemakkelijks beweert over de oorlog, kan in de ogen van sommigen niet deugen’ Foto Andreas Terlaak

ezeten aan de keukentafel in zijn huis in Leiden, leest historicus Bart van der Boom (1964) een passage voor uit zijn boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Hij raakt zichtbaar ontroerd door de dagboeknotitie van Els van Lohuizen, een gepensioneerde winkelierster in Epe die in de Tweede Wereldoorlog tientallen onderduikers hielp.

‘Ger kwam vanmorgen met een zgn. Jodenster op in de kerk’, schreef Van Lohuizen over haar zoon die in 1942 uit solidariteit met de Joden ook een davidster droeg. ‘Ik was bang dat er te veel op ’t spel werd gezet. Wil voor mijn overtuiging desnoods de bak in gaan maar dit helpt zoo weinig. Als iedereen het deed, kan het indruk maken, maar ’t zijn er maar weinig. ’s Avonds vertelde hij al dat hij die ’s middags had afgedaan omdat er al een kleindochter van dr. Loeff gearresteerd was. Het is moeilijk om te weten wat je doen moet.’

Na een korte stilte zegt Van der Boom: „Elke keer als ik dit lees, word ik weer ontroerd. Ik weet niet precies hoe dat komt. Het is net als met bepaalde muziekstukken of poëzie. Van tevoren weet ik daarvan dat ik er door geraakt word, en elke keer gebeurt het weer.

„Misschien ben ik wel een beetje sentimenteel. Maar het heeft, denk ik, ook te maken met de worsteling van mevrouw Van Lohuizen met wat ze precies moest doen. Na 1945 is het idee ontstaan dat je in de Tweede Wereldoorlog voor een simpele keuze stond. Als je je het lot van de Joden aantrok, hielp je ze. Als het je niets kon schelen, keek je weg. Uitgangspunt hierbij is dat men in Nederland precies wist wat er met de Joden gebeurde.

„Maar zo eenvoudig lag het niet, de Tweede Wereldoorlog was geen simpele test van altruïsme. De meeste Nederlanders, ook de Joodse, hadden geen idee van wat de Joden die naar Polen werden weggevoerd precies te wachten stond. En dat maakte het heel moeilijk om te bepalen wat je moest doen voor de slachtoffers. Je kwam voor vele dilemma’s te staan en moest allerlei risico’s tegen elkaar afwegen. Dat zinnetje ‘Het is moeilijk om te weten wat je doen moet’ maakt dat precies duidelijk.”

In april 2012 verscheen ‘Wij weten niets van hun lot’. Met dit boek wil Van der Boom de ‘mythe van de schuldige omstander’ ontkrachten. Deze mythe is in de plaats gekomen van de oudere verzetsmythe, volgens welke veel Nederlanders zich heftig hadden verzet tegen de Jodenvervolging. Sinds enige decennia is de communis opinio dat als de Nederlanders de Duitse bezetters al niet hielpen bij de Holocaust, ze wel de andere kant opkeken toen de Joden werden weggevoerd.

Voor ‘Wij weten niets van hun lot’ onderzocht Van der Boom 164 dagboeken uit de Tweede Wereldoorlog, waarvan 53 van Joden. De dagboeken laten zien dat de meeste Nederlanders geen schuldige of onverschillige omstanders waren, maar de Jodenvervolging verafschuwden. Met ontsteltenis, maar ook machteloos, keken ze toe hoe de Joden werden weggevoerd. De dagboeken maken ook duidelijk dat niemand wist dat de meeste Joden meteen werden vergast na aankomst in Auschwitz of Sobibor. Weliswaar berichtten illegale kranten en radiostations als Radio Oranje dat de Joden werden ‘uitgeroeid’ en circuleerden geruchten over gaskamers, maar de meeste Nederlanders, Joden én niet-Joden, verwachtten dat de Joden vooral door zware arbeid en mishandeling de dood zouden vinden.

Toen ‘Wij weten niets van hun lot’ verscheen, liet Van der Boom in een interview weten dat hij er een debat over verwachtte. Vreemd genoeg kwam dit pas nadat hij er in oktober 2012 de Libris Geschiedenis Prijs voor ontving. In de maanden hierna verschenen vooral in De Groene felle artikelen van onder anderen Evelien Gans en Remco Ensel, die Van der Booms boek plaatsten in de ‘een trend van nivelleren, van bestaande verschillen verkleinen in positie, gevoelens en motieven tussen daders, omstanders en slachtoffers.’ Begin mei schreef Ies Vuijsje, auteur van Tegen beter weten in: Zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging (2006), in NRC Handelsblad dat iedereen die dat wilde kon weten wat het werkelijke lot van de Joden was.

In het debat over uw boek vallen woorden als leugenachtig, misleidend en schaamteloos. Vanwaar die heftigheid over een academisch boek?

„Omdat het gaat om een uiterst moreel beladen kwestie, om schuld en onschuld. Wie kennis heeft van de Holocaust en niets deed is medeschuldig, wie het niet wist en niets deed, is onschuldig. De les van de Holocaust is nu toch dat je in vergelijkbare omstandigheden geen wegkijkende, en dus schuldige, omstander moet zijn. En als je dan laat zien dat de kwestie over weten en niet-weten niet zo eenvoudig lag, dan knabbel je aan het zingevende verhaal van de Tweede Wereldoorlog. En dan laten de beschuldigingen dat je de passiviteit van de omstanders in de oorlog wilt goedpraten niet lang op zich wachten. Maar het enige dat ik wil, is het gedrag van de Joden en omstanders in de Tweede Wereldoorlog beter begrijpen.”

Wat maakt de kwestie over weten en niet-weten zo ingewikkeld?

„Over kennis van de Holocaust bestaan twee dozen met feiten, zou je kunnen zeggen. In de eerste doos zit bijvoorbeeld de verklaring van de Geallieerden uit december 1942 waarin staat dat de Joden worden uitgeroeid, de uitspraken van Hitler en ander nazikopstukken zelf over Ausrottung van de Joden en berichten in de illegale pers over de vernietiging van de Joden. In deze doos zit ook het gegeven dat Joden doodsbang waren om op transport te gaan, sommigen zelfs zo bang dat ze zelfmoord pleegden, anderen bang genoeg om onder te duiken.

„In de tweede doos zitten feiten die met die in de eerste doos in tegenspraak lijken. Zoals het weeshuis voor Joodse kinderen dat hier in Leiden bestond. Begin 1943 werd directeur Italie van het weeshuis gewaarschuwd dat de weeskinderen binnenkort op transport zouden worden gesteld en dat hij ze moest laten onderduiken. Maar Italie weigerde, hij wilde dat de kinderen bij elkaar bleven. Ze zijn allemaal weggevoerd en vermoord. Ik ben ervan overtuigd dat als Italie had geweten dat de tientallen weeskinderen onmiddellijk na aankomst werden vergast, hij ze wel had laten onderduiken. Blijkbaar wist hij niet wat wij nu wel weten. Er zijn talloze voorbeelden van Joden die konden onderduiken maar dat bewust niet deden.

„Mijn boek is een poging om deze schijnbaar tegenstrijdige feiten in één doos onder te brengen. Mijn verklaring is dat men weliswaar veronderstelde dat de Joden werden uitgeroeid in Polen, maar geen idee had van de manier waarop dat gebeurde. De meeste Joden dachten dat ze tewerkgesteld zouden worden en van uitputting zouden sterven. Als men de geruchten over gaskamers al geloofde, dan dacht men dat vooral bejaarden en zieken daarin verdwenen.”

De econoom Arnold Heertje heeft u gevraagd wat uw grootouders in de oorlog deden. Wat hebt u hem geantwoord?

„Heertje heeft me dat wel vier keer gevraagd. Daaraan zie je dat dit een moreel debat is. Wie iets ongemakkelijks beweert over de oorlog, is een verdacht sujet. Zo wordt in de discussie over Chris van der Heijdens Grijs verleden (het boek uit 2001 waarin Van der Heijden wilde laten zien dat de meeste Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog goed noch fout waren, maar vooral de oorlog probeerden door te komen, red.) steeds weer Van der Heijdens zeer foute vader erbij gehaald. Maar dat is natuurlijk geen argument.

„Ik bedoel: stel dat mijn grootouders fout waren, dan bevestigt dat voor Heertje mijn ongelijk. Maar als mijn grootouders nu heel goed waren, dan zal Heertje mij toch niet opeens gelijk geven. Dus wat doen die grootouders er dan toe? Natuurlijk worden je opvattingen mede bepaald door je achtergrond, opvoeding en familie. Maar die achtergrond zegt op zichzelf niets over de juistheid van die opvattingen. Overigens waren mijn grootouders keurige gereformeerden die, voor zover ik weet, niets fouts hebben uitgespookt in de oorlog.”

U noemt Ies Vuijsje, wiens ‘Tegen beter weten’ de aanleiding is voor ‘Wij weten niets van hun lot’, in uw boek nadrukkelijk een autodidact. Bedoelt u hiermee dat hij tekortschiet als historicus? Kan een historicus iets dat een autodidact niet kan?

„Nee, ik bedoelde dat beslist niet denigrerend. Er zijn autodidacten, zoals Gerard Mulder, die heel goede geschiedenisboeken hebben geschreven.

„Maar de fout van Ies Vuijsje is dat hij alleen maar is geïnteresseerd in de eerste doos, de feiten die suggereren dat de uitroeiing van de Joden algemeen bekend was. Als blijkt dat veel mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog de precieze toedracht van de Holocaust niet kenden, dan wijt hij dit aan verdringing van die kennis. Nu zou dat kunnen, maar dan zouden er toch ook mensen moeten zijn die die kennis niet verdrongen. In werkelijkheid blijkt niemand een helder beeld te hebben van het lot van de Joden, en waren de berichten erover schaars en tegenstrijdig. Dat maakt verdringing tot een nogal gezochte en bovendien overbodige theorie. Het doet me denken aan het verhaal over de wiskundige Laplace die op de vraag van Napoleon waarom God niet voorkwam in zijn verhandeling over het systeem van het universum antwoordde: ‘Sire, ik had die hypothese niet nodig.’”

Maar doet de kennis van de precieze toedracht van de Holocaust er eigenlijk wel zo veel toe? Was de uitroeiing van de Joden ook zonder de onmiddellijke moord in de gaskamers al niet erg genoeg om meer te doen dan is gedaan?

„Dit is opnieuw een moreel zwaar beladen vraag die steeds terugkomt: ook al wist men niet alles, men wist toch genoeg? Volgens mij is het antwoord: nee, niet genoeg om adequaat te handelen. Dat is het duidelijkst bij de slachtoffers. De verwachting dat de uitroeiing van de Joden vooral uit zware arbeid en ontberingen zou bestaan, heeft geleid tot een fundamenteel verkeerde inschatting van de risico’s van deportatie en onderduiken. Veel Joden dachten dat ze in Polen minder gevaar liepen dan in de onderduik. Gesnapte onderduikers gingen naar Mauthausen, zo wist iedereen, en daar was je binnen drie weken dood. Maar uitroeiing door arbeid zou enige tijd vergen, terwijl men dacht dat de oorlog heel snel zou zijn afgelopen. Dus was het voorstelbaar dat gaan minder gevaarlijk was dan duiken. In werkelijkheid bood onderduik zestig keer zo veel overlevingskans als deportatie.

„Die verkeerde inschatting van de risico’s verklaart waarom zo veel Joden blijkens bijvoorbeeld hun dagboeken zo tobden over de vraag of ze wel of niet moesten onderduiken. En ook waarom velen besloten om uiteindelijk toch niet onder te duiken en op transport te gaan. Je zou ze nu nog willen toeschreeuwen: ‘doe het niet!’ Het is evident dat zij anders hadden gehandeld als ze meer hadden geweten.”

„Of dat ook geldt voor de omstanders is moeilijker te bepalen. Hierbij spelen allerlei verstorende factoren een rol. Zoals het gegeven dat een deel van de omstanders antisemitisch was of geen Joden kende of die toch als ‘vreemden’ beschouwde. Voor sommigen zou meer kennis niets hebben uitgemaakt. Maar voor anderen wel: als Joden zelf al vaak dachten dat onderduik niet in hun belang was, dan zal een deel van de omstanders dit ook hebben gedacht. Je hoefde geen onverschillige antisemiet te zijn om te denken dat verzet alles erger zou maken – dat dachten veel Joden zelf ook.

„Ik geloof dat de gehoorzaamheid van de omstanders deels te verklaren is uit het feit dat ze maar half snapten wat er gebeurde, en dat ze meer hadden gedaan als ze meer hadden geweten. Hoeveel meer precies, kunnen we niet weten. Een misantroop zal denken dat het weinig zou hebben gescheeld. Ik denk dat het aanzienlijk zou zijn geweest, maar ik heb dan ook een optimistisch mensbeeld. Dat is misschien raar als je je jaren met dit onderwerp bezighoudt, maar als je zo’n idyllische jeugd hebt gehad als ik, is daar weinig meer aan te doen.”

Bart van der Boom: ‘Wij wisten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Boom, 540 blz. € 29,90