De fontein werkt alleen nog als prullenbak

De Ramblas en de Dam: als toerist niet te missen, als local kom je er nooit Waarom niet? Correspondent Titia Ketelaar is een dag op het plein waar geen Londenaar wil worden gevonden: Piccadilly Circus

Correspondent Verenigd Koninkrijk

De eerste toerist arriveert om half acht ’s ochtends. Rechtstreeks vanuit het vliegtuig uit Australië. Hjälmar Svenna, een dertigjarige acteur, had in de underground vanuit luchthaven Heathrow de woorden Piccadilly Circus zien staan. Daar moet ik heen, dacht hij. „Dat is het centrum van Londen.”

Hij zit op de trappen van de fontein. Zoals zoveel toeristen gedurende dag zullen doen. Piccadilly Circus is „iconisch”, zeggen ze. En: „Je moet er zijn geweest.” Ze maken foto’s van elkaar voor de fontein, voor de enorme billboards aan de overkant. Ze slenteren langs de souvenirwinkels, eten fastfood, ijsjes. Kijken naar de straatartiesten.

Geen Londenaar die vrijwillig naar Piccadilly Circus gaat. Het is een rommelig verkeersplein. Met een niet-werkende fontein. Reclameborden die in het niet vallen bij die op Times Square in New York. En het is er altijd druk, met duizenden toeristen. Wat zien die toch?

Toegegeven, om zeven uur ’s ochtends is Piccadilly Circus mooi. Tussen de gevels van het London Pavillion (1885) en het Criterion-gebouw (1874) komt een waterig zonnetje op. Een schoonmaker schuifelt om het standbeeld van Anteros heen. Hij zal het vandaag vaak doen: de fontein wordt gebruikt als prullenbak.

Tot negen uur is Piccadilly Circus van de Londenaren. Marketeer Hannah Fripp (29) zit een boek te lezen op de trappen voor ze naar haar werk moet, een slungelige jongen in kokskleding bijt zenuwachtig op zijn nagels. „Sollicitatiegesprek”, is het enige wat hij met een knikje naar het Criterion-restaurant wil zeggen.

„Er wonen hier ook gewoon mensen”, zegt Shahzad Ali, en wijst naar de appartementen die voor „minimaal een miljoen” worden verkocht. Hij is de eigenaar van een krantenkiosk. Of liever: een kiosk. Hij is gestopt met kranten. „Iedereen leest ze digitaal”, zegt hij. Hetzelfde lot dreigt zijn internetcafé, vijftien computers op rij. „Vroeger stond er hier van april tot september een rij. Maar iedereen heeft nu een smartphone.”

Hij zegt: „Er komen hier weleens toeristen die vragen ‘waar is Piccadilly Circus’. Dan zeg ik: ‘Je bent er al.’ Wat verwachten ze? Dit is niet de Niagara Falls.”

Nee, Piccadilly Circus is Ripley’s Believe It Or Not. „Zes etalages met vreemde zaken.” Voor 25,60 pond krijg je bijvoorbeeld een schilderij van John F. Kennedy gemaakt van vlinders te zien, belooft een verklede cowboy. Of een opgezette koe met vijf poten. Hij en een eveneens kitscherig verklede bobby en Sherlock Holmes struinen het plein af naar bezoekers.

Door de andere straatartiesten worden ze niet serieus genomen, vertrouwt levend standbeeld Adrian (29) toe. Hij en zijn zwijgzame, want geen Engels sprekende collega arriveren om tien uur als het plein langzaam begint vol te lopen. Ze hebben een goede act: de hele dag slapen ze. „We bedelen niet, we stelen niet. Dit is kunst”, zegt hij.

Er is een zekere hiërarchie onder diegenen die van Piccadilly Circus hun werkterrein hebben gemaakt. Onderaan staan de Ripley-cowboys, dan de campy danser van souvenirwinkel Cool Britannia, die bezoekers naar binnen moet lokken voor een duizelingwekkend aantal T-shirts met het opschrift Londen, mokken met William en Kate, theepotten in de vorm van dubbeldekkers en zoutvaatjes in de vorm van Big Ben. Het heeft weinig weg van het Cool Britannia van eind jaren negentig, toen de Spice Girls, Blur, Oasis en Tony Blairs New Labour optimisme symboliseerden.

Net boven de campy danser staan de levende standbeelden. Dan de verkopers van theaterkaartjes. En bovenaan freestyle voetballer Dan Magness, die aan het einde van de middag als enige echte menigten weet te trekken met een bal op de punt van zijn neus. Hoeveel hij verdient wil hij niet zeggen. Maar zijn emmertje zit vol met munten.

Opvallend: van alle straatartiesten is hij de enige die Piccadilly Circus écht leuk vindt. Hij roemt „de vibe”. Standbeeld Adrian zegt daarentegen dat Trafalgar Square, met uitzicht op de Big Ben, werkende fonteinen en de National Gallery, hem veel liever is. „Het is volslagen onlogisch dat toeristen hier komen”, zegt hij.

Rond lunchtijd begint het te regenen. De toeristen hollen naar Trocadero, een enorme amusementshal. Naar Jamie’s Diner, de nieuwste tak aan het almaar uitdijende imperium van Jamie Oliver, voor hotdogs en hamburgers. Naar Lillywhites, een warenhuis voor sportkleding, dat al sinds 1925 aan het plein zit. Ze hangen rond bij de voetbalshirts. Maar de echte Engelsheid vind je boven: Lillywhites is gespecialiseerd in de hagelwitte kleding voor croquet, cricket en bowls, een soort jeu de boules dat zomers vooral in Engelse dorpen wordt gespeeld.

Maar daar gaat het de meesten niet om. Joep, Geert en Korné, scholieren uit Den Bosch, zijn vooral blij met „de lekkere drukte” en „het goedkope eten”. Ze zijn naar de Mac geweest. En naar de M&M-superstore op Leicester Square.

Waren de jongens nog even blijven hangen, dan hadden ze kunnen flirten met de Spaanse meisjes van dezelfde leeftijd die nu hun voorraad chocolade opeten. Of de Franse schoolmeisjes. Japanse, Argentijnse. Om drie uur stikt het op Piccadilly Circus van de tieners. Ze hangen maar wat.

Aan het eind van de middag zitten er vooral ouders met verveelde kinderen bij de fontein, moe van het gedrentel door de stad. Een Zweedse moeder leest voor wat er over Piccadilly Circus in haar gids staat. Een groep Nigeriaanse zakenmannen streept het plein van het lijstje waar het bovenaan stond. De Nederlandse Geert en Jan Dirk Stam, vader en zoon uit Meppel, zeggen: „Is dit het nou?”

Ja, dit is het. ’s Avonds wisselt de samenstelling van de toeristen weer wat. Dan wachten er vooral twintigers en dertigers, op weg naar een avondje uit in Soho. En net geklede echtparen, op weg naar de theaters op Haymarket. De fontein staat vlakbij de uitgang van de underground. Maar iedereen hangt.

Er is slechts één verrassing. Het Criterion. Het eten – modern Britse keuken – is niet het meest hoogstaande van Londen. Maar met een neo-Byzantijns gouden plafond, marmeren pilaren, weelderige mozaïeken en spiegels doet dat er ook minder toe. Hier aten Winston Churchill en David Lloyd George en sprak sciencefictionschrijver H.G. Wells collega’s toe. En hoorde Watson aan de bar voor het eerst over Sherlock Holmes.

Ook dat is Piccadilly Circus.