De burger moet het zelf allemaal doen

Minister Plasterk is blij met mensen die een speeltuin opknappen. Maar op veel steun van de overheid hoeven actieve bewoners niet te rekenen.

Burgers verzorgen zelf het groen. Volgens minister Plasterk is de „ontnuchterende realiteit” dat onder burgers „meer expertise schuilgaat dan in het overheidsapparaat”. Foto HH

Hoe de overheid met zijn burgers moet omgaan? Zoals een ouder met een opgroeiende zoon of dochter: zo veel mogelijk zelf laten doen, nergens mee bemoeien. Maar wel over de schouder meekijken en af en toe een complimentje geven.

Burgers zoeken iemand die rugdekking geeft, maar wel op afstand blijft, zegt universitair docent Ted van de Wijdeven van de Universiteit van Tilburg. „Dat is lastig, het vraagt veel empathisch vermogen van een bestuurder. Hij moet niet zelf te veel in de schijnwerpers willen staan.”

Van de Wijdeven promoveerde eind vorig jaar op ‘doe-democratie’: burgers die taken uitvoeren die vroeger door de overheid werden gedaan, of soms door een bedrijf of instelling. Bewoners en vrijwilligers die zwembaden en bibliotheken runnen, bijvoorbeeld. Vrijwilligers die een buurtsuper overnemen om het dorp leefbaar te houden. Buurtbewoners die een speeltuin onderhouden.

Het is een trend om serieus te nemen, zegt Van de Wijdeven: „In de jaren zeventig keken we met zijn allen naar de staat, daarna keken we naar de markt, nu kijken we naar de burgers.”

En serieus nemen, dat doet minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA). Deze week presenteerde hij zijn visie op de doe-democratie. Burgers, vindt Plasterk, worden steeds mondiger, zijn hoger opgeleid, en kunnen meer zaken zelf regelen. Als dat lukt, en bewoners hebben elkaar leren kennen, dan smaakt dat vaak naar meer. „De doe-democratie is een nauwelijks te stuiten, krachtige ontwikkeling” schrijft Plasterk aan de Tweede Kamer. Het kabinet stelde eerder in het regeerakkoord al „ervan overtuigd te zijn dat het goed is voor onze samenleving en burgers om ruimte te maken voor initiatief en ondernemerschap.”

Tot zover het positieve verhaal.

Want er is iets anders dat een grote rol speelt: de forse kabinetsbezuinigingen. Het Rijk wil veel taken overdragen aan lokale overheden, maar snijdt tegelijk in het bijbehorende budget. Gevolg: gemeenten hebben minder geld en dus moeten burgers meer zelf gaan doen.

Plasterk zegt in een toelichting de bezuinigingen niet te willen „doodzwijgen”: „Gemeenten hebben niet meer het geld om in een speeltuin alles tot de laatste schommel te betalen. Er vallen gaten.”

In Groot-Brittannië is eenzelfde idee om meer ruimte te geven aan burgerinitiatieven – de Big Society van premier Cameron – ‘besmet’ geraakt, omdat het werd opgevat als afschuiven van bezuinigingen op de samenleving. Plasterk hoopt dat dit hier niet gebeurt: „De trend is dat mensen bereid zijn meer zelf te doen, dus dan zijn de gevolgen van de bezuinigingen ook minder groot.”

Maar meer zelf doen klinkt mooier dan het is. Burgers lopen aan tegen strikte regels, uitgebreide procedures, bergen papierwerk. Ambtenaren op het gemeentehuis hebben moeite de touwtjes uit handen te geven en veel beleidsmakers hebben een negatief beeld van de vaardigheden van burgers. Onterecht, vindt Plasterk. Hij schrijft dat het „een ontnuchterende realiteit is dat onder Nederlandse burgers tegenwoordig meer expertise schuilgaat dan in het overheidsapparaat of in de volksvertegenwoordiging”.

Maar meer dan een pleidooi voor actief burgerschap is Plasterks visie niet. Hij voert vooral een reeks succesvolle burgerinitiatieven aan, bedoeld om wethouders te overtuigen dat ze meer aan burgers moeten overlaten. Geld om lokale initiatieven te ondersteunen is er niet. Wel wil Plasterk kijken of regels versoepeld kunnen worden. En hij probeert af en toe op werkbezoek te gaan bij actieve burgers om te laten weten dat ze goed werk doen. Plasterk: „Onze rol is zeer bescheiden. Maar als nationale overheid mag je voor zo’n ontwikkeling geen blinde vlek hebben. Je moet er toch iets mee.”

Jos van der Lans, oud-senator voor GroenLinks en schrijver van boeken over de relatie tussen overheid en burger, noemt de visie van Plasterk desondanks „een omslag”. Hij zegt: „Er zijn veel beleidsnota’s en notities geschreven die burgers oproepen verantwoordelijkheid te nemen. Zo’n moreel appèl werkte altijd averechts. Nu gaat het er ook om hoe de overheid het zelf zou moeten doen. De overheid houdt zichzelf een spiegel voor. Al is het wel cynisch dat je het roept op een moment dat je er niks meer over te zeggen hebt. Het Rijk gaat er steeds minder over.”

Waar de doe-democratie uiteindelijk moet eindigen, weet niemand. Initiatieven zullen opkomen en weer inzakken, afhankelijk van de behoefte van mensen. „Niet erg”, vindt Plasterk. Van de Wijdeven van de Tilburgse universiteit hoopt dat overheden niet te veel verwachten van hun burgers: „Niet zelf iets verzinnen om bijvoorbeeld de leefbaarheid te verbeteren en dan tegen de burger zeggen: u moet het voor ons doen. Kijk uit dat je je inwoners niet het gevoel geeft dat je ze voor je karretje spant. Het werkt alleen als de overheid luistert naar wat burgers zelf willen.”

Van der Lans herkent dat. Hij noemt lokale overheden „beleidsfabrieken. Als daar iets doorheen fietst dat mensen graag willen, dan is dat lastig. Het moet altijd in het format van de overheid passen.”