André Rieu slecht kloof tussen hoge en lage cultuur

André Rieu hoeft echt niet te worden weggezet als kitsch om gesubsidieerde, klassieke muziek te behouden, vindt Maaike Meijer.

De culturele elite klasseert de musicus André Rieu nog steeds als ‘kitsch’. Dat oordeel wordt vaak gebaseerd op zijn repertoirekeuze – van populaire klassieken gemixt met evergreens en veel Duits: walsen, marsen, operette. Op cd werkt het voor mij niet altijd, maar bij live-optredens stript Rieu dit repertoire van alle oubolligheid en swingt hij ermee de pan uit. Het gaat om die live performance. Die gehoorzaamt aan andere wetten dan het solitaire luistergenot of het zitten in een muisstille concertzaal waar elk kuchje taboe is. Het is die plechtige geïndividualiseerde muziekcultuur, waarin de violist Rieu het dertig jaar geleden zelf niet meer uithield. Een beschermde en gesubsidieerde niche, een eminent cultuurgoed, zeker. Maar het is niet nodig om voor de erkenning van de plechtige muziekcultuur performances als die van Rieu, die wereldwijd miljoenenpublieken trekken, te diskwalificeren.

Nog maar 150 jaar geleden bestond de kloof tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur niet, althans niet zo. Verdi en Rossini schreven in hun eigen tijd voor het volk. Je ging naar de opera om te drinken, te lachen en vrienden te zien, omlijst door muziek. Muziek was feest, samenzijn, leven. Rieu dicht de kloof tussen deze muzikale werelden en dat maakt hem zo interessant.

De barrières tussen klassieke en populaire muziek kraken al langer. Dat de door Joop van den Ende gebrachte Hazes-musical ‘Zij gelooft in mij’ eind 2012 een cultureel evenement van algemene betekenis werd – hij draait nog steeds – is een veelzeggend voorbeeld van dat proces. Maar ook de grote dirigent en componist Leonard Bernstein combineerde al grootse klassieke muziek met het musical-repertoire. Zonder hem zou de West Side Story niet bestaan hebben en die is al een halve eeuw oud.

Is het geen achterhoedegevecht geworden, dat dédain van een culturele elite voor ‘massavermaak’? Mijn antwoord is ja. Ga gewoon op dat Maastrichtse Vrijthof zitten. Het is al vaak geconstateerd: de cultuur festivaliseert, we willen iets meemaken, iets fysieks en iets gemeenschappelijks. We willen niet alleen letters lezen en voor de televisie zitten, maar ook iets horen, voelen, ruiken en proeven. Dat geldt voor jongeren en ouderen: het Nederlandse calvinisme heeft bijna het loodje gelegd, Nederland is goed geworden in feesten, van Koninginnedag tot Gay Pride, van Dance Valley tot Oerol. Rieu is feest. Hij blaast overbekende nummers nieuw leven in, hij geeft ze ons terug. Hij verandert iets in het ritme van de oude krakers, hij poetst ze op met onverwachte rallentando’s en ritenuto’s. Met onverhuld enthousiasme, onschuldige adoratie en over the top effecten die de waarde van klassieke muziek bevestigen en over de hekel halen. Er zit ook iets parodiërends in, een verzet tegen burgerlijke deftigheid. Het Carnaval ligt altijd in hinderlaag. Het zal tot en met dit weekend in Maastricht een volksfeest zijn van middeleeuwse proporties. Zo’n volksfeest is niet nieuw. Het is alleen maar terug van weggeweest.

Maaike Meijer is hoogleraar cultuur- en genderstudies aan de Universiteit van Maastricht. Zij begon een onderzoek naar Rieu als exemplarische casus van verschuivende culturele hiërarchieën. Zie www.genderdiversiteit.nl.