Adieu, Bildungsbürger

De hoge cultuur ligt onder vuur. Maar volgens de Britse historicus Eric Hobsbawm is dat niet zo vreemd, want die cultuur bevindt zich al een eeuw in een neergaande beweging, mede door de groei van het kapitalisme.

Klagen over de ondergang van de hoge cultuur is iets van alle tijden. Opvallend is dat zo’n klaagzang vaak uit de mond komt van oudere, hoogopgeleide mannen, die het dan meteen hebben over het einde van de beschaving, of nog sterker, over het einde van de wereld.

Anton Tsjechov, behalve een groot schrijver een actief bevorderaar van de vooruitgang, beschouwde zijn vakbroeder Lev Tolstoj als zo’n cultuurpessimist. Op 17 april 1897 noteerde hij in zijn aantekeningenboek dat Tolstoj een groot essay over kunst aan het schrijven was waarin hij beweerde dat die haar eindfase had bereikt en in een doodlopende steeg was beland, waaruit geen weg voorwaarts bestond. Het was een onterecht pessimisme, omdat Rusland juist een economische en culturele bloei beleefde, het Zilveren Tijdperk. Maar Tolstoj had er geen oog voor, omdat hij weinig op had met de nieuwe vormen van poëzie, literatuur en schilderkunst.

Vergeleken met Tolstoj is de vorig jaar oktober overleden Britse historicus Eric Hobsbawm een verademing. Geboren in 1917 in het Egyptische Alexandrië en opgegroeid in Wenen, Berlijn en, na Hitlers machtsovername in 1933, in Londen, vertegenwoordigt hij met zijn lange leven de hele twintigste eeuw, als je er vanuit gaat dat die begon met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Hobsbawm was behalve een productief geleerde ook een overtuigd marxist en een levenslang verdediger van de Sovjet-Unie. Zo zei hij in een tv-interview in 1994 dat het vermoorden van twintig miljoen Sovjetburgers onder Stalin gerechtvaardigd zou kunnen zijn geweest als de communistische heilstaat daarmee gerealiseerd had kunnen worden.

Vanuit die marxistische optiek schreef hij ook fascinerende boeken over de opkomst van het industriële kapitalisme, het socialisme en het nationalisme, met als hoogtepunten de tetralogie The Age of Revolution: Europe 1789-1848, The Age of Capital: 1848-1875; The Age of Empire: 1875-1914 en The Age of Extremes.

In zijn laatste, kort na zijn dood gepubliceerde essaybundel Fractured Times. Culture and Society in the Twentieth Century analyseert hij de opkomst van de hoge cultuur vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw en de definitieve verdringing daarvan door de massacultuur honderd jaar later. In tweeëntwintig essays, merendeels daterend uit de laatste vijftien jaar van zijn leven, geeft hij zo een nuchtere verklaring voor de ondergang van de hoge cultuur, zonder zich daar zoals Tolstoj, of onlangs nog Mario Vargas Llosa in zijn Nexus-lezing, boos over te maken. Want die ondergang was onafwendbaar, omdat het vooruitgangsdenken van de negentiende-eeuwse liberale bourgeoisie – die de basis vormt voor onze cultuurbeleving – op leugens stoelde en in plaats van in een betere wereld uitmondde in wereldoorlogen en volkerenmoord.

Daarnaast is de crisis van de hoge cultuur volgens Hobsbawm een natuurlijk gevolg van de kapitalistische samenleving, waarin steeds meer mensen toegang hebben gekregen tot welvaart en kennis. De kleine groep liefhebbers en beoefenaars van hoge cultuur is daardoor in een niche gedrukt, die te midden van de groeiende massacultuur steeds benauwender wordt. Hobsbawm trekt zijn conclusies met veel nuances en benadrukt dat er ondanks die belegerde hoge cultuur nog altijd belangrijke kunstwerken worden gemaakt. Je moet alleen moeite doen ze te onderscheiden van de rotzooi.

Hobsbawms gematigde optimisme blijkt al uit het eerste essay in deze bundel, ‘Where are the Arts going’. Hierin toont hij aan dat het aantal mensen dat literatuur leest in de laatste dertig jaar van de twintigste eeuw enorm is toegenomen, doordat een steeds groter deel van de bevolking hoog is opgeleid. Dat zelfs de massamedia met die ontwikkeling rekening houden illustreert hij aan de hand van de film The English Patiënt (gebaseerd op de gelijknamige roman van Michael Ondaatje) waarin de held de Griekse historicus Herodotus leest. Onmiddellijk na het zien van die film kochten vele duizenden Britten en Amerikanen diens Historiën, terwijl ze Herodotus voordien hoogstens van naam kenden.

Aldus laat Hobsbawm zien dat de vroeger overheersende cultuur van het geschreven woord weliswaar plaats heeft gemaakt voor de beeldcultuur, maar dat er toch gelezen blijft worden. Zeker nu het Engels het Kerklatijn van de moderne tijd is.

Een vergelijkbaar oordeel velt hij over de klassieke muziek. Dankzij het geleidelijk aan verdwijnen van de cd en het wegvallen van het copyright bereikt die via internet tegenwoordig een nieuw publiek, dat afwijkt van de kleine elite die er rond 1950 naar luisterde. Maar dan nog gaat het om een beperkte groep: in New York bezoekt volgens hem slechts zo’n 20.000 man klassieke concerten, terwijl klassieke muziekliefhebbers wereldwijd slechts 2 procent van de cd-verkopen bepalen.

Met zijn beschrijvingen van de veranderingen in de wereld van de cultuur in de afgelopen anderhalve eeuw wil Hobsbawm aantonen dat de huidige consumptiemaatschappij, waarin het instant bevredigen van je emotionele en materiële verlangens de structuur van je leven bepaalt, radicaal verschilt van de liberale bourgeoissamenleving van de negentiende eeuw. In die maatschappij was cultuur iets hogers, of op zijn minst een aanzet tot iets hogers. Genieten van een kunstwerk leidde tot spirituele verbetering, zo werd gedacht.

Cultuur was iets dat los stond van het alledaagse leven. Je deed eraan in je vrije tijd en toch had het niets te maken met entertainment. Totdat die scheidslijn in de loop van de twintigste eeuw niet meer te handhaven was en ook de operettemuziek van Johan Strauss door beroemde symfonieorkesten werd uitgevoerd. ‘De muur tussen cultuur en leven, tussen verering en consumptie, tussen werk en vrije tijd, tussen lichaam en geest, wordt neergehaald’, stelt hij nuchter vast.

Hobsbawm is voorstander van de versmelting van verschillende culturen in tijden van massamigratie. Als voorbeeld haalt hij het vooroorlogse Hollywood aan, dat grotendeels een schepping was van Joodse immigranten uit Midden- en Oost-Europa, zonder dat er in die films een duidelijke Joodse invloed waargenomen kon worden. Het op het witte doek geprojecteerde Amerika werd verbeeld door een Angelsaksische lens.

Die Midden- en Oost-Europese Joden zijn voor Hobsbawm, zelf afkomstig uit een Midden-Europees Joodse familie, exemplarisch voor de ontwikkeling van de Europese hoge cultuur, zoals hij in zijn essay ‘The Emancipation of Jewish Talent’ laat zien. Het Habsburgse keizerrijk is daarbij de modelstaat voor de emancipatie van etnische minderheden. Joden trokken er in de tweede helft van de negentiende eeuw massaal vanuit de sjetl naar de steden, verruilden het Jiddisj voor het Duits, stuurden hun kinderen naar staatsscholen en ontwikkelden zich tot atheïstische, liberale burgers, die openstonden voor moderne ontwikkelingen. Ludwig Wittgenstein, Hugo von Hofmannsthal, Franz Kafka, Franz Werfel, Karl Kraus, Elias Canetti, Sigmund Freud, Joseph Roth, Stefan Zweig, Arnold Schönberg, Gustav Mahler en Billy Wilder bewijzen dit.

In die kosmopolitische wereld van kunstenaars, schrijvers, regisseurs en intellectuelen, die zich uitstrekte van de Rijn tot aan de Zwarte en de Adriatische Zee, werd het ideaal van de Bildungsbürger door veel sociale stijgers nagestreefd. Hoe broos dit streven in werkelijkheid was, bleek na 1945, toen dit fenomeen uitgeroeid bleek te zijn.

Hobsbawm beweert dat je die ondergang in 1914 al kon zien aankomen. Hij doet dat aan de hand van de Weense satiricus Karl Kraus, die in 1915 met het schrijven van zijn toneelstuk Die letzten Tage der Menschheit was begonnen. Hierin werd niet alleen het failliet van de Weense moderne cultuur voorspeld, maar ook dat van de onafhankelijke journalistiek en het Habsburgse keizerrijk. Van dat keizerrijk resteerden na 1918 slechts wat kleine staatjes, waar nationalisme elke vooruitstrevendheid tegenhield.

Tegelijkertijd waren voorafgaand aan 1914 zowel de haat van de inwoners van de Alpenprovincies tegen de avant-gardistische Weners en Joden als de culturele spanningen tussen het aartsconservatieve katholieke deel van Oostenrijk en de vertegenwoordigers van de fin-de-sièclecultuur manifest geworden. Voor nostalgische verheerlijking van dat tijdperk bestaat volgens Hobsbawm dan ook geen enkele reden.

In het essay ‘Culture and Gender in European Bourgeois Society 1870-1914’ laat hij zien dat het toen in bourgeoiskringen mode was om je professioneel aan hoge cultuur te wijden. De keus van telgen uit zakenmilieus voor het onzekere beroep van schrijver of geleerde werd door ouders alleen maar aangemoedigd. Cultuur was voor hen een vorm van klassenidentiteit.

Het begrip avant-garde was aan het begin van de twintigste eeuw bovendien synoniem voor socialisme. Links stond voor vooruitgang, emancipatie van minderheden, verheffing van de gewone man. Dat links een eeuw later veel van zijn geloofwaardigheid zou verliezen kon niemand toen nog voorspellen.

Na 1945 veranderde de wereld van de hoge cultuur onherkenbaar. De meerderheid van de steeds groter wordende groep ontwikkelde Europeanen ging op in de massacultuur, die een uitvloeisel was van de door de Verenigde Staten gefinancierde wederopbouw van Europa. Daar komt volgens Hobsbawm nog bij dat ondanks het groeiende aantal hoogopgeleiden het aantal kritische intellectuelen door het wegvallen van de ideologische tegenstellingen na de Val van de Muur sterk afnam en links nu eerder synoniem werd voor kleinburgerlijke tuttigheid dan voor grootburgerlijke avant-gardecultuur.

Voeg daarbij het feit dat tegenwoordig de seculiere samenleving, zoals die in de negentiende eeuw door de geëmancipeerde bourgeoisie is opgebouwd, steeds meer verdrongen raakt door een maatschappij waarin ideeën over een door God gestuurde schepping van wetenschappelijke tintjes worden voorzien, en een terugkeer naar een conservatieve wereld, waarin weinig plaats is voor culturele avant-garde, is een voldongen feit.

Hobsbawms grote kracht is dat hij al die ontwikkelingen op een rij zet. ‘We leven in een samenleving die zo snel en onvoorspelbaar verandert, dat bijna niets van wat we hebben geërfd nog langer vanzelfsprekend is’, schrijft hij met een zekere verontrusting. Voor de generaties die tot in de jaren zestig zijn opgevoed volgens het ideaal van de Bildungsbürger, dat wil zeggen volgens de maatstaven van een cultuur gemaakt voor en door een naar moderniteit strevende bourgeoisie, is dat misschien wel het moeilijkst om te accepteren. Die huidige vijftigplussers moeten volgens Hobsbawm beseffen dat ze de restanten zijn van een uitstervende soort, die in totaal zo’n 150 jaar heeft bestaan.

Ter verzachting van dit wrede lot benadrukt hij in een essay over Groot-Brittannië in het Interbellum dat ondanks de grote stroom doemboeken van die dagen veel gewone Britten meer aan cultuur deden dan ooit tevoren. Er verschenen voortreffelijke romans en ook beleefden de exacte wetenschappen een nieuwe bloei.

Gematigd optimistisch is Hobsbawm ook als hij vaststelt dat door de globalisering de hoge cultuur een nieuw leven heeft gekregen in verwesterende samenlevingen in Azië, zoals Zuid-Korea, Japan en China. Maar hoe gunstig die ontwikkeling voor de Tolstojs van deze tijd ook is, hij waarschuwt ook voor de massacultuur, omdat die een wereld op zichzelf is die geen ruimte biedt aan een essentiële eigenschap van de mensheid: de wenselijkheid van een perfecte en goede wereld. En daarmee is hij toch weer de linkse idealist, die gelooft in een betere wereld. Tegen beter weten in.