Hoort uw neusbeen ‘Krak!’ tieren

De zomer van de neusbloedingen van de Vlaamse ‘writer’s writer’ Pjeroo Roobjee heet ‘een zwalkende dwaaltocht door het museum der vergeten woorden onder begeleiding van een kirrende gids’. Een wonderlijk boek, dat een duizelingwekkende lezing veroorzaakt.

Het danspaar, een schilderij uit 1663 van Jan Steen, in bezit van de National Gallery of Art, Washington

Iemand die goed kan schrijven en die daarom door recensenten bewierookt wordt maar desondanks vrijwel geen lezer weet te bewegen om een van zijn boeken aan te schaffen, noemt men in de regel een critic’s writer. Met de critic’s writer is echter nog niet de onderste trede van het kastesysteem der populariteit beschreven. Er bestaat namelijk ook nog zo iemand als de writer’s writer: dit is de auteur die niet eens door de criticus opgemerkt wordt en het moet doen met de schouderklop van collega’s. Ze schrijven, ze schrijven verdomd goed op de koop toe, maar hun werk vervluchtigt bij verschijning als een scheet in een windhoos.

Wanneer ze overlijden is er opeens een geestdriftige necrologie in de krant te vinden, geschreven door een andere auteur die opmerkt dat het een schande is dat de laatste zoveel boeken van het oeuvre van de schrijver niet eens door de kritiek werden opgemerkt. Zoiets gebeurde bijvoorbeeld bij het overlijden van Paul Marijnis vijf jaar geleden, toen Ilja Leonard Pfeijffer postuum een sneertje aan de Nederlandse kritiek uitdeelde vanwege het negeren van Marijnis’ roman De loden schoentjes.

De Vlaming Pjeroo Roobjee (1945) is zo’n writer’s writer. In Nederland althans, want hoewel hier zijn laatste paar boeken nauwelijks een alinea aandacht kregen, loopt de Belgische pers wel degelijk met hem weg. Naar aanleiding van Een mismaakt gouvernement (2010) schreef Mark Cloostermans in De Standaard bijvoorbeeld dat ‘Roobjees taal vuurwerk is’ en dat ‘dit een van die zeldzame oeuvres is waarin vorm en inhoud echt samenvallen: een mismaakte taal om een mismaakte wereld te beschrijven’. Cloostermans zet hiermee de deur naar Roobjees oeuvre wagenwijd open, maar, en daar schaam je je dan nu een beetje voor: je las het allemaal drie jaar later, wanneer je je na ongeveer vijftien pagina’s De zomer van de neusbloedingen realiseert dat je een heel bijzonder boek in handen hebt en eens wat over hem gaat opzoeken. Wat je na afronding van De zomer overigens ook niet met bijster veel trots vervult is de constatering dat je de kantlijnen van die eerste vijftien pagina’s bevuilde met de truttige opmerking ‘dat hetzelfde met veel minder woorden gezegd had kunnen worden’.

Want wat een wonderlijk boek is dit, waarin gezopen en getreurd wordt, waarin de eigenaardigste figuren een stem en een bijpassende kop en kont hebben gekregen, maar dat bovenal Tsjechovs stelling bevestigt dat er zelfs over een theekopje iets betoverends geschreven kan worden. Roobjee schrijft over de stoelgang en nog lig je in een kriek. Roobjee laat iemand uiteenzetten hoe je teken bestrijdt en je denkt: die gozer heeft een punt.

Dat het Roobjee op de eerste plaats niet te doen is om het natuurgetrouw weergeven van het welzijn van zijn personages, maar veel meer om wat hij ze in de mond kan leggen of over ze kan zeggen, blijkt al uit het feit dat hij zijn boek in zo’n ogenschijnlijk dorre omgeving als een nieuwbouwwijk heeft gesitueerd. Roobjee laat zien dat je op zo’n plek net zo goed een archaïsch, liederlijk proza kunt loslaten als het zuinige ‘economische’ proza dat veel andere auteurs er doorgaans maar voor over hebben.

Vuiligheid

Het zou een doorsneewijk moeten zijn, dit Engelenpoort, vol met doorsneemensen, als we tenminste de andere boeken moeten geloven die er over zijn verschenen, want dit is ‘een van die plekken uit boeken waar volgens de statistieken iedereen op een mens gelijkt, niemand in eigen vuiligheid vergaat en nergens een druppel bloed wordt vergoten’, aldus een deel van de openingszin van De zomer.

Maar, Reve parafraserend, omdat de eerste normale mens nog geboren moet worden, zet Roobjee de wijk vanaf minuut één onder talige hoogspanning. Het is allemaal volstrekt ongeloofwaardig wat hij de bonte stoet aan docenten Engels, honderdjarige landarbeiders en verre familieleden van Maurice Maeterlinck (die ook schrijft, maar dan alleen met de Belastingdienst) laat zeggen, maar het zal de ras ingepalmde lezer worst wezen. Het lezen van De zomer van de neusbloedingen laat zich beschrijven als een zwalkende dwaaltocht door het museum der vergeten woorden onder begeleiding van een kirrende gids.

Bottomline draait het boek om vier stellen die om uiteenlopende redenen op het vlees van de buren azen. Meer dan eens zit de verbeelding de personages in de weg, terwijl anderen weer gebukt gaan onder een tekort eraan. Zo is er Amaat Kluyskens, een gefrustreerde professor die er maar niet slaagt een fatsoenlijk begin te maken met zijn biografie over het ‘schildersleven’ van August Strindberg. Wanneer hij achter het toetsenbord plaatsneemt blijven diepe gedachtes over de Zweed achterwege, terwijl beelden van zijn zonnebadende buurvrouw Rhonda overal in zijn ‘klokhuis’ (daar bedoelt Roobjee de hersenen mee) opdoemen.

Het heimelijke gegraai in buitenechtelijke broek en bloes wordt allemaal vanuit de struiken gadegeslagen door Thilo Nicaese, de jongeling die we gerust de held van deze geschiedenis mogen noemen. Hij heeft op zijn beurt dan weer de hots voor buurmeisje Doris, maar hij speelt het schaakspel zo flets dat ze zijn beschaafde voorstel om ergens iets te gaan drinken keer op keer van de hand wijst.

Thilo’s lot is ontnuchtering, maar gelukkig heeft hij de taal aan zijn zijde. Net als bijna alle sujetten door wie hij omringd wordt overigens. Ze gaan allen nét niet aan ‘cacoëthes loquendi en cacoëthes carpendi’ ten onder, wat in het puissant rijke idioom van Pjeroo Roobjee volstrekt gangbare woorden zijn voor babbelziekte en muggenzifterij.

Handgemeen

Om een voorbeeld te geven van dat idioom: zo laat Roobjee een man het verloop van een op til zijnd handgemeen tussen een man en een vrouw voorspellen: ‘“Hij heeft langere armen,” meende Wilfried, “maar zij is een kwaaie rakker als het op een lijf-aan-lijf-worsteling aankomt. Waarschijnlijk is haar voetenwerk beter dan het zijne. En haar uppercuts ziet ge niet aankomen. Ge hoort uw neusbeen “Krak!” tieren en ge wordt de onverdraaglijkheid van uw zeer gewaar, dat is alles.”’

Dat dit zich niet allemaal in een kroeg afspeelt, vraag je je na de duizelingwekkende lezing af. Want daar heeft het nog het meest van weg: Jan Steens Dansend echtpaar, met een zwierende man die zo in zijn eigen bewegingen opgaat dat hij niet doorheeft dat een concurrent intussen met zijn ‘kluisgaten’ (ogen) naar zijn vrouw ‘spioent’ (kijkt). In een hoek van het doek mijmert iemand over de loop der dingen, maar ook hij zal even later weer in de lampen hangen.

Het is geen strandboek, deze roman, want u zult er de dikste editie van Van Dale geheid bij nodig hebben, maar verder is het voor alle andere ogenblikken een feest om te lezen.