‘Werklozen blijvend beschadigd’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

Een opiniestuk dat maandag in de Volkskrant verscheen

De aanleiding

De werkloosheid in Nederland stijgt. Een slechte zaak, vindt Peter van der Meer, universitair docent economie en bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Want werkloosheid is „één van de ergste dingen” die mensen kan overkomen, schrijft hij in een opinieartikel in de Volkskrant dat maandag verscheen. „Het is bekend dat werklozen ongelukkiger zijn dan werkenden. Het is ook bekend dat langdurige werkloosheid littekens bij mensen achterlaat. Langdurig werklozen raken beschadigd en komen er niet meer geheel bovenop.” Zou het echt zo zijn dat werklozen blijvend beschadigd raken? Wij zoeken het uit.

En, klopt het?

Van der Meer is geen onbekende in het vakgebied. Hij publiceert geregeld over de arbeidsmarkt. In 2011 verscheen het artikel ‘Verhoogt werk ons welzijn?’, dat hij samen met sociologen Rudi Wielers en Henk de Vos schreef. Een overzichtsartikel, waar de schrijvers de huidige stand van de wetenschap in binnen- en buitenland schetsen. Het werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Ook verscheen er vrij recent een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) over dit onderwerp, ‘Een baanloos bestaan’ (2010).

Om te meten of werkloosheid negatieve effecten heeft, moeten werklozen vergeleken worden met mensen die wel een baan hebben. Hebben die aantoonbaar meer levensvreugd? (Over de blijvende schade hebben we het later.) De consensus in de wetenschap is tegenwoordig dat tevredenheid met het leven goed te meten is, zo schrijft het SCP. Het is „vergelijkbaar” en „goed in kaart te brengen”. Respondenten geven tevredenheid aan door een rapportcijfer te geven aan (onderdelen van) hun leven.

Er blijkt een groot verschil te zijn tussen het hebben van werk als toestand en werk als activiteit. Dat laatste, het werken zelf, is namelijk helemaal niet zo populair blijkt uit een onderzoek van psycholoog Daniel Kahneman (e.a.) uit 2004. Op een schaal van 1 (laagst) tot 6 (hoogst) gaven de respondenten, een groep van 909 werkende Texaanse vrouwen, aan hoeveel plezier en geluk dagelijkse activiteiten brengen. Werk komt in deze lijst van 16 activiteiten op de één na laatste plek. Het krijgt slechts een 3,62 van deze vrouwen, alleen woon-werkverkeer scoort met een 3,45 slechter. (De zorg voor de eigen kinderen doet het met een 3,86 ook niet bijster goed, het populairst zijn ‘intieme relaties’: 5,10 op de schaal van 6.)

Werken zelf mag dan niet zo populair zijn, maar het hébben van werk is wel fijn. Dat blijkt uit verschillend onderzoek (bijvoorbeeld van economen Andrew Clark en Andrew Oswald in 1994 en van het economenechtpaar Liliana en Rainer Winkelmann in 1998) waarin respondenten hun leven een rapportcijfer geven. De vragen gaan over allerlei verschillende factoren, zoals de huwelijkse staat, het hebben van kinderen, de gezondheid. Na het wegstrepen van al deze factoren blijkt dat werklozen hun leven gemiddeld twee punten lager geven op een 10-puntsschaal, dan mensen die wel een baan hebben. (Overigens gaat het wel om onvrijwillige werkloosheid: huisvrouwen en gepensioneerden scoren juist goed op de geluksschaal.)

Volgens het SCP zijn negen van de tien werkenden (zeer) tevreden met hun leven. Dit geldt maar voor de helft van de werklozen. Over verschillende aspecten in hun leven zijn mensen die werkloos zijn ongelukkiger dan werkenden, zoals hun vrienden- en kennissenkring. Veel dagelijkse dingen, zoals bijvoorbeeld tv kijken, zijn voor werklozen lang niet zo leuk als voorheen. Werkloosheid went niet. In de wetenschap is lang gezocht of mensen die langer werkloos zijn geleidelijk weer gelukkiger worden. Dat is nooit aangetoond.

Dat werkloosheid een negatief effect heeft, dat wordt dus door divers wetenschappelijk onderzoek onderschreven. Maar hoe zit het met de „littekens” die langdurige werkloosheid achterlaat, zoals Peter van der Meer schreef in de Volkskrant. Zijn werklozen blijvend ongelukkiger? Ja, zo blijkt uit recent onderzoek. Econoom Andrew Clark (e.a.) deed tussen 1984 en 1994 onderzoek naar het langetermijneffect van werkloosheid, in de zogeheten GSOEP, een groot bestand van inwoners van Duitsland die op verschillende tijdstippen gedurende een langere periode naar hun welzijn is gevraagd. Daaruit blijkt dat werklozen, ook als ze weer een baan hebben gevonden, gemiddeld een lager niveau van welzijn genieten. Dat wordt een ‘littekeneffect’ genoemd. In hun latere werk zijn ze vaak wat meer risicomijdend en minder assertief. De definitie van langdurig werklozen verschilt per onderzoek. Soms is het een jaar, soms een half jaar. „Het littekeneffect geldt met name voor langdurig werklozen. Kortdurend werklozen komen er beter bovenop, hebben minder kans op een litteken”, zegt socioloog Rudi Wielers. Het moet ook niet overdreven worden, maar „een gevoel van onzekerheid blijft hangen,” legt hij uit. „Het gevoel dat het altijd mis kan gaan.”

Het littekeneffect is daarna nog verschillende keren vastgesteld, ook in latere metingen van dezelfde GSOEP. Maar dat is tot nu toe dus alleen bij mensen die in Duitsland wonen. „De reden is dat op dit moment geen andere databestanden beschikbaar zijn om het effect te toetsen,” zegt Wielers. „Dat zal in de toekomst vast veranderen, maar vooralsnog is er geen reden om aan te nemen dat een voor Duitsers gevonden effect niet voor Nederlanders zou gelden.”

Conclusie

In de Volkskrant schrijft econoom Peter van der Meer dat langdurig werklozen ongelukkiger zijn dan werkenden. Dat klopt inderdaad, ook voor mensen die korter werkloos zijn, mits het gaat om mensen die onvrijwillig thuis zitten. Het rapportcijfer dat werklozen aan hun eigen leven geven op een schaal van 1 tot 10, is gemiddeld twee punten lager dan bij mensen met een baan. Daarnaast beschrijft Van der Meer dat langdurig werklozen beschadigd raken. Wetenschappelijk onderzoek onderschrijft dat. Gemiddeld gezien komen werklozen na het vinden van een baan niet meer op hetzelfde welzijnsniveau als voorheen. De stelling is dus waar.