Waarom het Nieuwe Rijks is mislukt

‘Een fantastische kans gemist’: zo omschrijft de Britse kunstcriticus en voormalig museum- directeur Julian Spalding de manier waarop het Nieuwe Rijksmuseum zijn collectie presenteert. Hij mist een wervende, moderne visie. Na alle lof voor het Rijks, nu kritiek.

Een zekere gespannen verwachting had ik toch wel, toen ik het Nieuwe Rijksmuseum bezocht. Ik was namelijk – op zeer bescheiden wijze – betrokken geweest bij de vroege plannen voor de herininrichting, en ik vroeg me af of er nog iets van mijn voorstellen in praktijk was gebracht.

Ronald de Leeuw, toen directeur van het Rijksmuseum, vroeg mij in 2003 of ik met zijn belangrijkste curatoren kon bespreken hoe zij hun collecties straks op eigentijdse wijze konden tonen. Ze waren net begonnen met de plannen voor het Nieuwe Rijksmuseum.

De Leeuws voornaamste doel was: geschiedenis met kunst verenigen. Het was tot dan toe niet de taak van het museum om geschiedenisles te geven; dat was altijd op school gedaan. Maar, zo stelde De Leeuw, het probleem was dat het merendeel van de bezoekers, zowel Nederlandse als buitenlandse, heel weinig wist van de Nederlandse geschiedenis.

Wat mij betreft was er een dieper geworteld probleem: een toenemend aantal bezoekers wist niets van het christelijk geloof, dat eeuwenlang zeer sterk het Nederlandse leven en de kunst had gedomineerd. En het Nieuwe Rijksmuseum stond volgens mij voor een nog grotere uitdaging: hoe interesse te wekken van bezoekers van andere religies, met name het toenemend aantal moslims? Veel moslims gaan niet naar musea die schilderijen met naakten tonen. Dat communicatieprobleem oplossen, stelde ik, zou niet gemakkelijk worden. De Leeuw wilde graag onderzoeken hoe dat kon worden opgelost.

In een seminar van een dag liet ik de curatoren zien welke onderdelen van de collectie je zou kunnen gebruiken om verhalen zo te vertellen dat ze een groter begrip konden kweken voor de andere tijden waarin ze waren gemaakt. Om één voorbeeld te geven: het Rijksmuseum heeft in zijn kostuumcollectie een paar van die bijzondere witte handschoenen die een man in de zeventiende eeuw aan zijn toekomstige vrouw gaf op de dag van hun verloving. Niemand mocht daarna haar hand aanraken tot de bruiloft, haar echtgenoot moest de eerste zijn. Ik stelde dat als je die handschoenen in een vitrine bij Rembrandts Het Joodse bruidje (zoals het ooit genoemd werd) zou leggen, ze boekdelen zouden spreken over de waarde van aanraken in de zeventiende eeuw – en hoezeer dat verschilt van eigentijds gedrag in het Westen.

Natuurlijk gaat het schilderij van Rembrandt niet alleen daarover. Niemand weet waar het precies over gaat – en het tekstbordje ernaast zou dat moeten weergeven. Het doel van een museum is vragen oproepen – suggestief, niet stellig, eerder poëtisch dan autoritair.

Persoonlijk denk ik dat de ‘bruid’ op het schilderij zwanger is, en dat haar echtgenoot de eerste beweging in de buik voelt; zij raakt zijn hand aan in liefdevolle erkenning voor het aandeel dat hij heeft gehad in deze schepping. Hier is discussie over mogelijk, maar zeker is dat Rembrandts werk over aanraken gaat – het is een van de meest veelzeggende verbeeldingen van aanrakingen in de kunstgeschiedenis. Ik zag met pijn in het hart hoe bezoeker na bezoeker een vluchtige blik wierp op dit grootse werk, de tekst ernaast las, en verder liep. Die tekst stelt dat mensen in Rembrandts tijd als figuren uit het Oude Testament wilden worden geportretteerd – wat in dit geval op zijn minst discutabel is – en beschrijft de kracht van de penseelvoering van de schilder. Slechts weinigen werden gegrepen door het stralende wonder van Rembrandts schilderij. Van degenen die bleven staan waren de meesten – zeer interessant – liefhebbende stellen. Verschillende mensen zag ik een hand uitsteken en elkaar aanraken terwijl ze het werk bekeken; ik was zelfs getuige van een spontane kus. De taak van een goed museum is om op dergelijke reacties voort te bouwen. Wat zouden die handschoenen erbij het begrip van de toeschouwers vergroot hebben!

Obsessieve renovatie

Natuurlijk had ik niet echt verwacht dat precies die objecten zouden worden getoond die ik had voorgesteld. Ik wilde alleen aangeven hoe kon worden nagedacht over de presentatie, en welke kanten men daarbij op kon. Maar wat mij wel zeer teleurstelde is dat de nieuwe opstelling op geen enkele manier laat zien dat de curatoren daadwerkelijk hebben nagedacht hoe ze hun collecties kunnen gebruiken om nieuwe generaties en nieuw publiek te interesseren en inspireren.

Er is sterk van Ronald de Leeuws bezielde plannen afgeweken. Terwijl de renovatie van het gebouw zelf met bijna obsessieve zorg is opgevat, zijn de vitrines op vrijwel dezelfde manier teruggezet, waarbij grotendeels de oude museumkundige scheidslijnen zijn gevolgd tussen fijne en decoratieve kunst, kostuums, keramiek en glas, wapens, klokken, sloten en scheepsmodellen.

Musea moeten niet beginnen met wat hun curatoren weten, maar met wat hun publiek weet. De reden hiervoor is eenvoudig: mensen hoeven niet naar musea te gaan; die behoren niet tot het officiële onderwijs. Musea nemen in een samenleving een bijzondere plaats in: zij bieden zowel vermaak als kennis, en ze hebben de taak om de interesse te wekken van alle bezoekers, wat voor kennis die ook hebben. Daarom is beginnen met het heden een goede strategie voor een museum. Voor het Rijksmuseum zou het een goed idee zijn om de relatief kleine collectie moderne kunst en design in de zalen bij de ingang tentoon te stellen, in plaats van weg te stoppen in twee krappe, ontoegankelijke zolders.

Musea moeten voorzichtig zijn welke verhalen ze vertellen over moderne tijden, omdat deze geschiedenis essentieel is voor de levens van mensen. Ik vind het voor een vooraanstaand museum als het Rijks onacceptabel om de Duitse bezetting terug te brengen tot een schaakspel en een concentratiekampuniform, dat in deze context op weerzinwekkende wijze de status van kledingstuk krijgt.

Het Rijksmuseum heeft ervoor gekozen te beginnen op de veilige, ouderwetse manier, met het verst van het heden verwijderde deel van zijn collectie. De eerste zaaltekst luidt: ‘Welkom in de Middeleeuwen. In deze zalen zult u het begin zien van middeleeuwse kunst in Europa. In eerste instantie was kunst vooral gerelateerd aan het christendom...’

Dat is prima als de lezer weet wat de termen ‘Middeleeuwen’, ‘middeleeuws’ en ‘christendom’ betekenen. Zo niet, dan zijn de vaak griezelige beelden en schilderijen die je te zien krijgt verbijsterend – en dat bleken ze ook te zijn voor de meeste bezoekers die ik observeerde. Wat het niet-christelijke publiek (toch zeker de meerderheid tegenwoordig) nodig heeft voordat het deze zalen ingaat, is iets van een introductie in het christelijk geloof. Die kan gemakkelijk worden gegeven via de collectie. Immers, middeleeuwse kunstenaars waren meesters in het vertellen van verhalen aan mensen die niet konden lezen.

Oorsprong van religie

Vervolgens moet elk museum dat het verhaal van de Nederlandse kunst wil vertellen de splitsing tussen katholicisme en protestantisme tot leven brengen. Dat is essentieel en relevant; religieuze schisma’s zijn nog altijd een belangrijke kwestie, vooral in de islam. Het Rijksmuseum heeft een werk dat ideaal is om een dergelijk moeilijk onderwerp te behandelen: Adriaen van de Vennes grootse satirische schilderij Zielenvisserij. Daarop staan eerzame protestanten en verdorven katholieken die vissen naar zielen – het perfecte middelpunt voor een expositie die dit thema behandelt.

Als een museum wil beginnen met het verleden, dan moet het beginnen met wat mensen weten van dat verleden. Oftewel: een stap terugdoen van het christendom en zijn schisma’s, terug naar de oorsprong van religie zelf. Zelfs in onze materialistische tijden hebben de meeste mensen wel enig idee dat het leven een spirituele dimensie heeft – of zou moeten hebben. Zoals ik liet zien in mijn seminar in 2003, is een van de grootste schatten in het Rijksmuseum een groot beeld van Guanyin, een boeddhistische godheid. Die zit in een ontspannen houding bij een plas, mijmerend bij de weerspiegeling van de maan. Het is nu weer te zien in het Aziatisch paviljoen van het Rijks. Maar daar is het voor de meeste bezoekers gewoon het zoveelste vreemde beeldhouwwerk.

Stel je voor dat het in de eerste zaal van het museum zou staan, in nachtelijk duister boven een spiegelend oppervlak, met de maan en de sterren weerkaatst in de diepte. Zonder enige uitleg zouden de bezoekers dan meteen de diepverwonderde blik en glimlach van deze figuur begrijpen – Guanyins verbazing over het mysterie van het universum, de bron van alle religieuze en spirituele overtuigingen.

En stel je dan eens voor, in een zaal ernaast: een presentatie met wellicht de belangrijkste Nederlandse uitvindingen – de telescoop en de microscoop. Die hadden enorme gevolgen voor de wereldgeschiedenis. Kort na de uitvinding van de telescoop richtte Galileo zijn verbeterde versie op de maan. Hij ontdekte toen dat deze godin geen spirituele hemellamp was, maar een brok steen die licht reflecteert.

Bij het zien van deze twee zalen zou het publiek een introductie krijgen op de belangrijke thema’s die het Nieuwe Rijksmuseum had kunnen onderzoeken: de spirituele verduistering die de Verlichting vergezelde; die de kunst van Nederland overschaduwde en nog altijd het denken over de hele wereld beïnvloedt.

Dan zouden bezoekers al meteen bij het begin van hun reis een idee krijgen van de betekenis van de ontzagwekkende duisternis in Rembrandts kunst. In zijn tijd geloofde men dat God de mens had geschapen naar zijn evenbeeld. Maar Rembrandt twijfelde of hij God kon zien in zijn eigen aardappelgezicht. Daarom schilderde hij zichzelf zo vaak. Hij was op zoek naar het spirituele licht van Gods schepping, waarvan mensen toen al het gevoel hadden dat het aan het verdwijnen was.

Er is een eregalerij in het hart van het Rijks – een tentoonstelling van de grote meesterwerken van Nederlandse schilderkunst. Er is wat voor te zeggen dat dit museum, als de poort voor de wereld naar Nederlandse kunst, meesterwerken van alle tijden toont, ook als het daarvoor werk moet lenen. Op dit moment laat het alleen de Gouden Eeuw zien, en dat doet het helaas niet goed. Om één voorbeeld te geven: Vermeers intieme, onberispelijke schilderijen worden gedeeltelijk verduisterd door de schaduwen die van het weelderige lijstwerk komen door belichting van boven. Een dergelijk ondoordacht lichtontwerp is onvergeeflijk voor een museum van deze statuur. Bezoekers zouden nog beter af zijn met levensgrote reproducties van Vermeers uitzonderlijke composities.

Is er nog iets goed aan het Nieuwe Rijksmuseum? De schilderijen zelf zijn in uitstekende staat, wat zeker niet het geval is in sommige andere grote musea, met name het Louvre. Het gebouw ziet er een stuk beter uit. De vitrines zijn goed gemaakt, en het kleurenschema is chic. Maar de bewegwijzering is verwarrend, het restaurant beneden de maat en slecht geleid, en er zijn beschamend weinig toiletten, vooral voor dames. Ik kaartte deze kwesties aan bij een suppoost, maar kreeg te horen dat het allemaal kinderziektes waren. Er had natuurlijk over nagedacht moeten zijn vóór de opening. De staf heeft er genoeg tijd voor gehad – tien jaar, om precies te zijn.

De trieste waarheid is dat de mensen die het Rijksmuseum leiden helemaal niet aan hun publiek hebben gedacht. Zij hebben alleen de schatkist met hun juwelen opgepoetst. Maar wat voor zin heeft een fonkelende pronkkast als de kostbaarheden erin niet op hun waarde kunnen worden geschat?

Dat enorme hoeveelheden mensen het heropende museum bezoeken, lijkt alles te weerspreken wat ik hier schrijf. Maar deze bezoekcijfers geven alleen aan dat het publiek hongert naar kunst van hoge kwaliteit – en hoe groot hun honger is nadat het museum zo onwaarschijnlijk lang gesloten is geweest.

Aan het succes van het Nieuwe Rijksmuseum hebben de huidige curatoren geen wezenlijke bijdrage geleverd. De bezoekcijfers geven ook niet aan wat de kwaliteit van de ervaringen van het publiek is, of er ook ogen zijn geopend voor nieuwe wonderen. Natuurlijk zal alleen al Rembrandt zien dat voor velen doen, maar men had zoveel meer kunnen doen.

De ware tragedie is natuurlijk dat in een tijd waarin zo ter discussie staat wat ‘Nederlands’ is, een fantastische kans is gemist om een groot en steeds veranderend publiek kennis te laten maken met de uitzonderlijke prestaties van de Nederlandse cultuur.

Vertaling Roelie Fopma