Column

Vakantie is luxe – in meer dan één opzicht

Twee golven zijn al onderweg, en morgen gaat ook Midden-Nederland met vakantie. Kantoren en fabrieken maken vanaf nu een lege indruk, de activiteit in het land neemt zienderogen af – en die in de zonnige streken zienderogen toe.

Alle werknemers hebben recht op vakantie maar, sommige hebben meer recht dan andere. Er zijn heel wat internationale vergelijkingslijsten waarin werktijd en vrije tijd worden bijgehouden. Nederland neemt daar een vreemde positie in. Volgens het Centre for European Policy Research heeft Nederland het op drie na minste aantal wettelijke vakantiedagen en verplichte vrije dagen van alle industrielanden: 20. Dat is karig. Frankrijk heeft er 31. Aan de andere kant werkt de Nederlander gemiddeld van alle industrielanden het minste aantal uren per jaar: 1.325. Amerikanen werken zich helemaal suf met 1.896 uur.

De kleine hoeveelheid Nederlandse vakantiedagen klopt in de praktijk overigens niet. Cao’s krikken het aantal op tot gemiddeld tegen de 27. En het kleine aantal gewerkte uren komt door een vertekening: geen land heeft zoveel deeltijdwerkers als wij.

Beter is het om uit te rekenen hoeveel weken een werknemer (hoe lang die werkweek ook is) in de praktijk werkt. De OESO, de club van industrielanden, doet hier zoals gebruikelijk nuttig en gestandaardiseerd werk. Zij telt het aantal vakantiedagen in de praktijk op bij absentie door wettelijke verloven en ziekte. Daar rolt een lijst uit met weken dat werknemers daadwerkelijk aan de slag zijn. De resultaten zijn wonderlijk.

Australiërs zijn er het meest, met 47,6 weken per jaar, gevolgd door Amerikanen, met 45,9 weken. Nederlanders zijn hier middenmoter, met 41,9 weken aanwezigheid, hetgeen net iets meer is dan het OESO-gemiddelde van 41,6 weken. Italië, Spanje en Portugal zitten, in weerwil van hun Club Med-imago, keurig op of boven het gemiddelde. Grieken werken ruim drie weken (44,5) meer dan Duitsers (41). Denen daarentegen zijn er maar 37,8 weken, Zweden 36,9 weken en Noren slechts 36,1 weken.

Draai het om en wees verbijsterd: de gemiddelde Noor is er dus bijna zestien weken niet. De typisch Scandinavische verlofregelingen helpen hier een handje mee, en de Noren hoeven zich met alleen al een oliefonds van bijna 600 miljard euro voor 5 miljoen inwoners ook niet echt druk te maken.

Er is, nog wonderlijker, geen noemenswaardige samenhang tussen het aantal gewerkte weken en de welvaart. Een vergelijking tussen alle industrielanden op basis van het bruto binnenlands product (bpp) per hoofd van de bevolking en het aantal gewerkte weken levert een regressie op van 0,2. Dat is nauwelijks significant, en als het al ergens op wijst is het dat de welvaart hoger is naarmate er minder weken worden gewerkt.

De meest voor de hand liggende verklaring lijkt hier de arbeidsproductiviteit. Hoe hoger die is, met hoe minder werk er toch hetzelfde bbp wordt gemaakt. Het probleem is hier dat de arbeidsproductiviteit in de regel nogal lui wordt berekend vanuit de hoeveelheid gewerkte uren en het bbp. Dat impliceert een tautologie: de productiviteit is hier een verklaring van zichzelf.

Bovendien is er, zoals gesteld, nauwelijks een samenhang. De verklaring kan evengoed cultureel zijn. Van Amerikanen is bekend dat zij vaak liever niet al te lang weg zijn, uit bezorgdheid dat in de tussentijd hun functie wordt uitgehold. Absentie moet je je kunnen permitteren. Collegialiteit, het gevoel nodig en nuttig te zijn en te worden beoordeeld op je kwaliteiten geven de rust om zorgeloos het werk een paar weken achter je te kunnen laten. Noren zullen we nooit worden. Maar misschien maakt een beetje schaarste de vakantie ook juist meer waard.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.