Moeder

In het tweedehandsplatenzaakje trof ik twee mannen van mijn leeftijd: de eigenaar en een klant. Ze waren druk in gesprek. Hoewel we elkaar niet kenden, leken ze mijn binnenkomst niet als een verstoring te ervaren, eerder zelfs als een stimulans. Ik werd meteen betrokken in hun bespiegelingen over de tijdgeest, vooral waar die de muziekhandel raakte.

„Dit soort zaakjes is overal aan het verdwijnen”, zei de eigenaar.

„De jeugd komt hier niet meer”, zei de klant, „ook niet meer in de grote cd-winkels. Daar zie je hetzelfde als bij concerten met goede pop – alleen nog maar grijze koppen. De jeugd wil ráp.”

Zoals hij het uitsprak klonk het als een venerische ziekte waar je blind van kon worden. „Als ik ráp hoor, gaat de radio onmiddellijk uit”, zei hij.

De eigenaar zuchtte, terwijl hij wat stof veegde van enkele platenhoezen op een doos. „Wij van onze generatie hebben ons heel wat te verwijten. We zijn er niet in geslaagd de liefde voor onze muziek over te brengen op de jongere generatie.”

„Mijn dochters kunnen wel van Otis Redding en Bruce Springsteen genieten”, zei ik.

„Maar willen ze er ook voor betálen?”, vroeg de klant. Hij sprak graag met klemtonen. „Ik dácht het niet. Dat zal wel weer downloaden worden.”

„Het is een andere tijd, heren”, zei ik, terwijl ik zoveel mogelijk de dominee uit mijn stem probeerde te weren. „Er zijn meer technische mogelijkheden. Maar los daarvan: de jeugd heeft zijn eigen muziek, daar hebben wij niets over te zeggen.”

„Rap is geen muziek”, zei de klant.

Ik besloot het gesprek te verleggen naar het object waar ik voor gekomen was: zo’n ouderwetse vinylelpee in de vitrine. Was vinyl trouwens niet weer in de mode gekomen? Wanhoop nooit.

De plaat die ik begeerde, was zelfs in deze zaak een uitgesproken curiosum. Op de hoes stond een familiefoto die alleen maar in de jaren zestig kon zijn genomen. Links zat een vrij jonge grootmoeder, stijfjes maar toch stralend, in een rood-zwart geruite fauteuil, terwijl ze glunderend werd aangekeken door twee blonde kleinzoontjes en hun ouders, dertigers nog: een man in een grijs pak met rode stropdas en een vrouw met een toren van getoupeerd haar op het hoofd. Zij stonden voor de grootmoeder, de man maakte aanstalten haar een slagroomtaart te overhandigen.

De plaat heette Alles draait om moeder en was in 1964 door Philips vermoedelijk ter gelegenheid van moederdag uitgebracht. Hij bevatte nummers van de Zangeres Zonder Naam, haar broer Jerry Bey en andere toenmalige grootheden van de smartelijke zanglap, zoals Jacky van Dam en De Twee Roosjes. De titels van de nummers spraken voor zich: Moeder, ik kan je niet missen!, Vergeet je moeder niet, Morgen zal ik moeder weer zien. Ik kende alleen de eerste regels van Moedertje lief van de Zangeres Zonder Naam uit mijn hoofd: Moedertje lief, zeg alstublief/ waarom ging pappie toch heen/ moedertje lief zeg alstublief/ waarom liet hij ons alleen.

De eigenaar vroeg waarom ik juist deze plaat wilde hebben. „Om het tijdsbeeld”, zei ik. „Op deze hoes zie je nog het Nederland van de beginjaren zestig. Keurig, braaf, burgerlijk. Toen werd alles anders. In 1964 kwam de pil en daarmee de seksuele revolutie, de emancipatie van vrouw en homo volgde, de secularisatie.”

Op weg naar huis vroeg ik me af: om wie draait nú alles? De jeugd? De moeder én de vader? U mag het zeggen.