Kleuren

Serie over 7 dames en een man die voor hun eigen veiligheid achter cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

Er hangt een briefje op de deur van de kamer van de grote gele man: „Verboden toegang voor onbevoegden, namens de nabestaanden van meneer Lepelaar.” „Jeetje, de majoor is nu al dood!”, zegt Anita.

„Het verbaast me niet echt”, zeg ik.

„Hij heeft hier maar drie weken gezeten”, vertelt de zuster.

De tuindeur is ondanks het warme weer ook dicht. Mevrouw Pijnenburg zit ervoor met haar spookachtige silhouet, als poortwachtster van het voorgeborchte. „Nee!”, brult ze, „die deur mag niet open!” Ze draait haar hoofd naar ons toe, terwijl ze gewoon blijft doorbladeren in haar roddelblad. Ze laat haar ogen boosaardig heen en weer rollen en roept: „Rot op, stelletje idioten!”

Achter haar in de tuin verschijnt mevrouw Glims. Ze probeert met een angstig gezicht onhoorbaar naar binnen te sluipen. Dat valt niet mee met een rollator. Pijnenburg geeft met haar vuist een klap op tafel. „Wat zeg ik! Die deur mag niet open!”

„Ik zou niet weten hoe ik anders naar binnen moet”, merkt Glims op.

Mijn moeder zit in de tuin met de knutselclub. Met haar favoriete vrijwilligersduo Hannie en Bep. Twee dames van middelbare leeftijd, lekker gezellig, lekker ad rem, lekker veel grappen met elkaar en de bewoners, pienter en lekker schor doorrookt. „Gerookt vlees bederft niet”, zegt Hannie.

Mijn moeder komt graag op de knutselmiddag, vindt ze gezellig. Altijd lachen met Hannie en Bep én er is een man! Een leuke nog wel.

De gediplomeerde bezigheidsjuf neemt haar taak gelukkig bloedserieus. Vandaag wordt er onder haar leiding gekleurd. Er zit een aantal mensen met dikke stiften kleurplaten in te kleuren. „Wat wilt u kleuren, mevrouw... eh...”, vraagt de juf.

„Niterink”, vult vrijwilligster Hannie aan.

„Ach ja, ik zie zoveel mensen. Ik kan echt niet al die namen onthouden”, zegt de juf.

„Tuurlijk”, sneert Bep, „en je kent haar ook pas vier jaar.”

„Hier heeft u stiften, mevrouw Nifterik.”

„Niterink”, zegt mijn moeder nu.

„Wat gaat u kleuren?”, schreeuwt de juf op de manier waarop gediplomeerde bezigheidsjuffen vinden dat ze tegen oude mensen moeten schreeuwen. Ze waaiert met een stapel kleurplaten.

„Ik, kleuren?”

,,Ja”, schreeuwt ze in mijn moeders oor, „u gaat lekker kleuren!”

„Lieve kind”, zegt mijn moeder, terwijl ze over haar wang streelt, „ik ben niet doof hoor!”

„Dat kleuren, dat meent ze toch niet serieus?”, fluistert ze tegen Hannie.

„Nee hoor”, zegt deze, „het is een grap.”

„O, gelukkig.”

„Maar er zijn er wel een paar ingestonken”, lacht Hannie. Ze wijst naar mevrouw Map die met haar tong uit haar mond een mandala zit in te kleuren. Mijn moeder barst in lachen uit.

„En hij!”, zegt Hannie terwijl ze wijst naar mijn moeders buurman, die met piepende bruine stift een konijn op een bromfiets zit te kleuren.

Mijn moeder slaat voorover in een dubbele lachstuip. „Kijk dat!”, brengt ze uit terwijl ze bijna stikt, „hij zit ook te kleuren!”

„Mevrouw Nifterink...”

„Stifterink”, verbeter ik haar.

„...mevrouw Stifterink”, gaat de bezigheidsjuf onverstoorbaar verder, „wilt u ook zo’n konijn op een bromfiets inkleuren?” Ze bladert in haar kleurplatenstapel. „Ik heb anders ook nog een konijn op...”

„Een ander konijn”, giechelt Bep.