Kater

Ze werkt op de afdeling Communicatie, de verwarde Cavia. Feuilleton over haar leven en lotgevallen.

De eerste gedachte die in het hoofd van de verwarde cavia opkwam, was: waarom is mijn bed zo klein? De tweede gedachte was: er ligt iemand naast mij. De zomerborrel was wat uit de hand gelopen. Veel toast met brie en ook veel cava. Enge Erna van Human resources had haar broer meegenomen, Steven, en met die Steven had ze Madonna staan playbacken. En nu was diezelfde Steven bij haar thuis. Het was een onhandige nacht geweest, waarin Steven op een gegeven moment had uitgeroepen: „Ik weet niet of dit ’m gaat worden, Cavia!” Het was maar goed dat Cavia zo dronken was geweest.

Ze ging voorzichtig rechtop zitten en keek langs de bos krullen naar het slapende gezicht van Steven. Die deed ineens zijn ogen open en zei: „Hee.”

„Hee”, zei Cavia terug.

„Je haar zit in de war”, zei Steven.

„Dat is jouw schuld.”

„Sorry.”

Hij kwam even met zijn neus in haar buikhaar wroeten. „Lekker”, zei hij. Cavia lachte. Deze ochtend had veel gênanter kunnen zijn. „Heb je ook zo'n koppijn?”, vroeg ze. „Nee, valt wel mee. Maar jij was wel echt toetertje lam.” Hij keek haar ineens geschrokken aan: „Je voelt je toch niet misbruikt ofzo? Dat we dat niet krijgen?”

„Jawel”, zei Cavia, „maar op een goede manier.”

„Dan is het goed.”

„Zo, en nu ga ik poepen”, zei Steven, en hij verdween naar de hal. Tevreden met zichzelf klom Cavia langzaam uit bed en slenterde naar de keuken. Meteen maar koffie zetten. Zo direct misschien nog een eitje bakken. Meer dan een ding tegelijk lukte nog even niet. Alleen haar hoofd maar draaien deed eigenlijk al pijn. „Rustig, rustig”, zei ze hardop tegen zichzelf. De koffie was gezet, maar Steven was nog niet verschenen. Cavia nam alvast een slok. Keek naar een oude krant die nog op tafel lag. Het bleef wel heel lang stil.