Geloof niet in het Duitse sprookje

Duitsland wordt ten onrechte gezien als economisch rolmodel, vindt Enrico Kretschmar. Het Duitse beleid gaat namelijk ten koste van toekomstige generaties.

De Duitse economie is hot. Het gaat immers economisch slecht in Nederland, en goed in het Oosten. Dus kijken we hoe de succesvolle buren het doen. Maar is dat wel zo’n goed idee, leren van het Duitse economische beleid?

History is written by the victor, stelde Winston Churchill al vast. Zo zie je ook vaak dat economisch welvarende landen een voorbeeldfunctie hebben voor de minder sterke broeders. Althans, totdat de gehypte landen weer van hun voetstuk vallen. Ga maar na: in de jaren 90 was Nederland dankzij haar grote dienstensector het meest progressieve jongetje van de klas in Europa, nu zitten we in de diepste recessie sinds generaties. In de jaren nul was Zweden het voorbeeld voor een sociaal economisch beleid, nu staan autobanden in de buitenwijken van Stockholm in de fik. Duitsland is sinds begin van de crisis verheven tot ster aan het economisch firmament. Terecht?

Het klopt. Duitsland weet zich momenteel nog aardig door de crisis heen te worstelen. Het consumentenvertrouwen is op het hoogste niveau sinds 2007. De industrie is dankzij jarenlange loonmatiging succesvol. De export gaat vooral naar de opkomende markten en daar is het nog steeds goed zakendoen. De auto’s en machines van Duitse makelij zijn precies waar Chinese yuppen of Braziliaanse concerns graag in willen investeren. Het gaat dus goed met Duitsland.

Maar is Duitsland wel het rolmodel voor Nederland, waar we met z’n allen zo naarstig naar op zoek lijken te zijn in deze barre tijden? Kopiëren van het Duitse economisch beleid betekent vooral kopiëren van kortzichtige economische beslissingen, die ten koste gaan van de volgende generaties. Hier een aantal voorbeelden.

Ga je bij Arnhem de grens over, dan valt het meteen op. Gaten in het wegdek, viaducten uit de jaren 60 en binnensteden die inmiddels lijken op Oost-Duitsland in de jaren 80. De achterstallige investering in de Duitse infrastructuur wordt berekend op een astronomisch bedrag van 1.000 miljard euro. Voor onderhoud is geen geld en dus wordt de rekening doorgeschoven naar de volgende generatie – of kabinet.

Bildung ist des Menschen höchstes Gut, zo luidt een bekende uitspraak in het land van de dichters en denkers. Maar in internationale onderwijsvergelijkingen zoals PISA, bungelt het Duitse onderwijs in de middenmoot of daaronder, terwijl Nederlandse steevast in de kopgroep zit. De misère trekt zich door tot in het wetenschappelijk onderwijs. Slechts vier Duitse universiteiten zijn terug te vinden in de top honderd van Europa. Maar wel zeven universiteiten uit dit kikkerlandje, toch een knappe prestatie. Dus niet alleen op de infrastructuur wordt blijkbaar beknibbeld, maar ook op knappe koppen, die het succes van morgen moeten veiligstellen.

Duitsland staat bekend om zijn maakindustrie en technische producten. In de perceptie van de internationale afnemers zegt made in Germany vooral iets over de kwaliteit van het eindproduct. Maar baanbrekende innovaties zijn zelden uit Duitsland afkomstig. Dat blijkt ook uit onderzoek van de Amerikaanse consultancybureau Booz & Co. Nederland is het op drie na meest innovatieve land in de wereld en Duitsland haalt niet eens de top tien. De innovaties van vandaag zijn de cash cow’s van morgen. Nederland is wat dat betreft dus zeker niet slechter opgesteld dan de grote broer uit het Oosten.

De infrastructuur is in verval, de kwaliteit van het onderwijs laat te wensen over en op de innovatielijst staat Duitsland ver achter Nederland. Nee, Duitsland is niet het rolmodel voor een op de toekomst gericht economisch beleid.