Filmen tegen de illusie in

De Canadees Mark Lewis maakt plotloze, trage films die altijd de vraag oproepen of ze echt zijn of in scène zijn gezet. Het Van Abbe Museum toont recent werk.

Mark Lewis, Nathan Phillips Square, A Winter’s Night, Skating, 2009

Minutenlang is de camera onbeweeglijk gericht op een slapende zwerver op het trottoir. Om de zwerver heen staan tassen en koffers, opgestapeld en samengehouden met snelbinders. De koffers benemen het zicht op de man, je ziet alleen benen en een arm. Dan draait de camera traag naar links. Nu zien we een rustige straat, met aan het einde een T-kruising met een drukke winkelstraat. Auto’s en rode dubbeldekkers stoppen en trekken op bij stoplichten. Op een winkelpui staat groot het woord ‘glance’ (blik).

Juist als je je begint af te vragen of het tafereel in scène is gezet of echt is, verschijnt een gebarende mannenarm met een opzichtig horloge om de pols en veel ringen aan de hand vlak voor de lens. Kennelijk wordt er gefilmd met een telelens. De arm gebaart naar de zwerver en maakt zich kwaad, te oordelen naar de steeds driftiger bewegingen. Einde film (na circa 7 minuten). Dus toch een levensechte scène, met die arm toevallig in beeld? Ook al is er geen plot, de film houdt de aandacht gevangen. De strakke kadrering maakt dat je blijft kijken en allerlei schijnbaar onbeduidende details in je opneemt. En sowieso kan het bord met ‘glance’ onmogelijk toevallig zijn.

De film Man (2012) van de Canadese kunstenaar Mark Lewis (Hamilton, 1958) is te zien op de tentoonstelling Pull Focus, een overzicht van veertien van zijn recente films in het Van Abbemuseum. Lewis spreekt van ‘disturbance’, de verstoring van de fictie wanneer in een film verschillende lagen bij elkaar worden gebracht die elkaar tegenspreken. Een voorbeeld van zo’n verstoring is het woord ‘glance’, dat de kijker bewust maakt van het eigen kijken en daarmee de aandacht afleidt van de film. „Working against the pull of illusion”, noemt Lewis dit. Het verklaart de titel van de tentoonstelling. De illusie trekt de kijker naar binnen, terwijl een bepaalde focus, bijvoorbeeld op een detail in het beeld, de zuigende werking van de illusie verstoort.

Lewis blijkt een rechtgeaarde, ouderwetse modernist te zijn, die zich bezighoudt met het ontleden van de taal van de film en van de instrumenten die de filmer tot zijn beschikking heeft. ‘Ouderwets’, omdat dit overeenkomt met wat er is gebeurd in de schilderkunst sinds het impressionisme, toen schilders zich steeds meer gingen richten op het schilderij als object, op de verf, de verfstreek, het doek.

Soms gebeurt dit werken-tegen-de-illusie-in bij Lewis wel erg letterlijk. City Road May 04, 2012 is een korte film van een kruispunt die ondersteboven wordt getoond. Lewis wil daarmee afkomen van een motief of verhaal.

Veel interessanter wordt het wanneer Lewis erin slaagt om zijn filmbeelden tegelijkertijd verleidelijk illusoir te maken én de film-als-film te laten zien. Zoals Black Mirror at the National Gallery (2011). Een robot glijdt over rails door de zalen van The National Gallery met een ronde spiegel waarin 17de-eeuwse schilderijen zijn te zien. Op een gegeven ogenblik zien we ook de camera die de robot filmt. Zo ontstaat een spel van allerlei lagen en spiegelingen van beelden.

Kenmerkend voor alle films van Lewis is de trage beweging. De cameralens verschuift in één lange, ononderbroken, mechanische beweging. Zoals in de prachtige film Hendon F.C. (2009), van een verlaten en verwilderd voetbalstadion. Soms filmt een gefixeerde camera een langzaam bewegend tafereel. In Smoker at Spitalfields (2012) een glazen, spiegelende draaideur die onafgebroken in beweging wordt gezet door komende en gaande mensen. Soms is de enige beweging het in- en uitzoomen van de lens. De beweging is altijd dermate nadrukkelijk dat het onmogelijk is voor de kijker om zich er niet van bewust te zijn.

Lewis’ films zijn niet gemonteerd of gesneden en hebben vaak de duur van een filmrol, ongeveer zeven minuten. De compositie en de uitsnede van het beeld zijn extreem precies. De perspectivische werking wordt niet gecorrigeerd, wat kan leiden tot een sterke vertekening of tot een eigenaardige verplatting van het beeld. Uit alles blijkt een sterke verwantschap met klassieke schilderkunst, en ook met recente fotografie die een vergelijkbare thematiek heeft, zoals de grote foto’s van fotografen als Andreas Gursky en Thomas Struth. Het is bijna overbodig om op te merken dat alle films van Lewis, die uitsluitend gaan over kijken, zonder geluid zijn.

Zijn meest spectaculaire film is Forte! (2010), die met een steadycam vanuit een helikopter moet zijn gemaakt. Hij begint met beelden van kale, half besneeuwde bergtoppen, waarna de camera naar beneden draait, naar een vesting of klooster met grijze leidaken, gelegen bovenop een berg ver onder ons. Twee smalle haarspeldwegen leiden aan twee kanten naar beneden. Als de camera inzoomt, zijn mensen te zien die vanuit het klooster de twee wegen beginnen af te hollen. Zo is er beweging op verschillende niveaus, van het vliegen door de lucht, de draaiende en inzoomende camera en de hollende mensen, elk met een eigen tijdsdimensie. Jammer genoeg maakt het hollen, dat duidelijk is geregisseerd, de film tot een soort toneelstukje. Het is een laag te veel.

One Mile (2013) is dankzij de soberheid en het totaal onspectaculaire van het beeld de meest geconcentreerde film op de tentoonstelling. Op een rotonde staat een obelisk met daarop de tekst: „One Mile 40 feet to London Bridge”. Aan de voet zitten wat mensen te praten, op de rotonde rijden een paar auto’s. Vanaf een hoog standpunt en zeer langzaam draait de camera rond de obelisk, inzoomend en dan weer uitzoomend. Tijdens de hele tien minuten durende film blijft de obelisk exact in het midden van het gekaderde beeld staan. Maar niet exact in het midden van de afgebeelde ruimte. Wanneer de camera inzoomt staat de obelisk immers vooraan, dan weer staat hij achteraan, dan weer krijg je de sensatie dat je hem ‘van opzij’ ziet. Zo maakt Lewis het verschil zichtbaar tussen fictie en werkelijkheid.

Mark Lewis: Pull Focus. T/m 13 okt in het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven.