Europees politiek dier

Toen Jean-Claude Juncker aantrad als premier van Luxemburg waren François Mitterrand en Helmut Kohl aan de macht in Frankrijk en Duitsland. Vandaag, ruim achttien jaar later, heeft de politieke veteraan het ontslag van zijn regering aangeboden bij groothertog Henri. Nieuwe verkiezingen waren gisteren onvermijdelijk geworden, na een fel parlementair debat over een schandaal rond de inlichtingendienst en Junckers verantwoordelijkheid daarvoor.

Luxemburg is niet een van de grootste, maar wel een van de stabielste landen van Europa. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn op één na alle regeringen geleid door de christen-democratische CSV, de partij van Juncker. Het groothertogdom, dat slechts een half miljoen inwoners heeft maar een belangrijk financieel centrum is, had in 1916 voor het laatst de val van een regering meegemaakt.

Juncker mag nu afgetreden zijn, verdwenen is hij niet. In de Luxemburgse politiek is hij naar verwachting niet uitgespeeld, en in de Europese evenmin. Binnen drie maanden gaat Luxemburg naar de stembus en Juncker (58) zei gisteravond dat hij zich „eigenlijk niet kan voorstellen” dat hij de kiezers niet opnieuw om hun stem zal vragen. Zijn populariteit is nog altijd groot, en zijn ambitie ook.

In Europa was Juncker niet alleen de langstzittende regeringsleider. Hij genoot, en geniet, ook groot gezag. Tot begin dit jaar leidde hij acht jaar de onderhandelingen tussen de landen van de eurogroep. Hij speelde een sleutelrol bij de gezamenlijke inspanningen om de stormen van de financiële crisis te bedwingen. En hij geldt als serieuze kanshebber voor een van de hoge posten die volgend jaar in de Europese Unie vrijkomen.

In Luxemburg is Juncker wel verweten dat hij door zijn drukke Brusselse bezigheden zijn eigen land verwaarloosde. Zijn geringe doortastendheid in de kwestie met de inlichtingendiensten geeft dat verwijt extra kracht.

De vraag is nu of dit Europese politieke dier voluit kiest voor de Luxemburgse politiek dan wel zijn blik eigenlijk gericht heeft op het voorzitterschap van de Europese Raad (waarop hij in 2009 al aasde) of de Europese Commissie (waar hij in 2004 al eens voor bedankte).

Hoe zelfverzekerd Juncker ook mag zijn, en hoe sterk zijn electorale positie ook is, beschadigd is hij wel. Als premier heeft hij geen open kaart gespeeld over de problemen bij de veiligheidsdienst. Ook heeft hij zijn verantwoordelijkheid verzaakt, toen duidelijk was dat bij de dienst orde op zaken gesteld moest worden. Zijn excuus dat de veiligheidsdienst nu eenmaal nooit de topprioriteit van een premier kan zijn, was zwak: als minister was hij hoe dan ook politiek verantwoordelijk. Deze crisis staat niet goed op zijn Europese cv.