De clubs moeten meer hun best doen voor de meisjes

Vandaag spelen de Nederlandse vrouwen hun eerste wedstrijd op het EK De ploeg vecht vooral voor erkenning Gewone meisjes vechten om te mogen spelen

Verslaggever

Marieke, de oudste dochter van Irene Groenland, was tien jaar toen ze op voetbal wilde. Het had geen probleem hoeven te zijn. In de Rotterdamse deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek waar het gezin woont, zijn vier voetbalverenigingen. Bij de ene club speelden geen meisjes, hoorde Irene Groenland. Bij een andere club zouden meisjes trainen maar niet spelen. Ze liet het zo. Haar dochter wilde ook blijven hockeyen en met nog een sportende dochter en zoon waren de weekenden al druk genoeg.

Dat was vijf jaar geleden.

Nu wilde haar jongste dochter Isabel (12) op voetbal met haar vriendinnen Fenna (11) en Fijke (12), en vriendin Elise (10) die al voetbalde. Ze ging opnieuw rondvragen. Nog altijd bleken buurtclubs niet ingesteld op meisjesvoetbal.

In Nederland spelen volgens voetbalbond KNVB 3.447 meisjesteams, met vooral meisjes van tien jaar en ouder. Tot die leeftijd spelen ze volgens de bond vaak mee in jongenselftallen.

„Om te voorzien in de behoefte van een meisje”, schrijft de KNVB in een beleidsstuk over meisjesvoetbal dat ‘Het meisje centraal’ heet, moet een vereniging „de mogelijkheid bieden om een meisje te laten voetballen op haar eigen niveau en leeftijd, en volgens haar eigen beleving en ambitie”. Daarvoor zijn volgens de bond minstens 200 meisjes nodig per vereniging. Alleen dán kun je meisjes indelen naar leeftijd en niveau.

Oud-bondscoach van het vrouwenelftal Vera Pauw maakt aan de telefoon de allesbepalende rekensom. Er zijn in Nederland bijna 77.000 voetballende meisjes en circa 2.800 voetbalclubs. Dat betekent dat per club gemiddeld 28 meisjes voetballen; per definitie veel te weinig om te voldoen aan de norm van de bond. Behoorlijk meisjesvoetbal – in meisjesteams of tussen jongens – lukt dus alleen als clubs samenwerken. Pauw kreeg dat nooit voor elkaar. „Het is vaak haat en nijd tussen buurtclubs.” En dus probeerde ze sinds halverwege de jaren negentig om – dan maar – het gemengde voetbal te stimuleren. Als meisjesvoetbal niet gestimuleerd wordt, zegt Pauw, gaan meisjes niet voetballen. „Er zijn te veel aannames en onderbuikgevoelens.”

Isabel en haar vriendinnen zouden dus in een meisjesteam kunnen spelen in een andere buurt, of met jongens in een team in de eigen buurt. Maar ook dat laatste was niet vanzelfsprekend.

Bij VOC, de grootste club in de buurt, voetballen 600 jongens en vier meisjes. De meisjes zijn zeven tot negen jaar oud. „Meisjes haken bij ons af vanaf een jaar of tien”, zegt bestuurder Jan Willem Hofman. „Dan voetballen ze als enige in een team met dertien jongens en gaan ze liever met vriendinnen hockeyen.” Vanaf een jaar of zeven komen meisjes ook niet meer goed mee, zegt hij. „Ze spelen in de middenmoot of lager.”

VOC zou „dolgraag” aparte meisjesteams willen, zegt Hofman. Aan de interesse ligt het niet. Hofman zegt „met gemak” vier meisjesteams te kunnen vormen. „Het probleem: we hebben niet genoeg kleedkamers. Vanaf de D moet je aparte kleedkamers hebben, horen wij.”

De kleedkamers, de velden, de prestaties. Pauw zucht: „Dat bedoel ik. Onderbuikvermoedens. Meisjes zullen altijd liever thuis douchen dan niet voetballen.” Meisjes komen prima mee, zegt ze, en in de puberleeftijd zijn ze eerder groot, sterk en snel dan jongens. Ze hebben alleen een achterstand als ze later beginnen met voetbal.”

Lydia Zwier-Kentie verhuisde een paar jaar geleden met haar gezin naar het dorp Voorst, bij Zutphen. Haar oudste dochter wilde voetballen. Er waren in Voorst geen andere meisjes van acht die voetbalden. „Een team met alleen jongens, dat was een stap te ver”, zegt Zwier. Haar dochter ging voetballen in een dorp zeven kilometer verderop, in een gemengd team. De jongste ging later wel voetballen in Voorst. Een nieuw meisje in de klas ging mee.

Zwier hielp op beide clubs vriendinnendagen te organiseren om andere meisjes enthousiast te maken voor voetbal. „Er kwamen veel meiden op af, maar ze werden maar geen lid. Toen we vroegen wanneer ze wel lid zouden worden, kwamen er drie antwoorden: 1. ik wil met mijn eigen vriendinnen in mijn eigen dorp voetballen. 2. ik wil niet als enige meisje in een team. En 3. ik wil voetballen op mijn manier. Voor de één was dat in een gemengd team, voor de ander in een meisjesteam, ze wilden plezier hebben of topvoetballer worden.”

Op initiatief van Zwier en met steun van de KNVB zijn anderhalf jaar geleden de jeugdcoördinatoren van de clubs in de omgeving met elkaar om de tafel gaan zitten. Ze spraken af geen meisjes bij elkaar weg te halen, ze zouden samenwerken. Dus samen vriendinnendagen organiseren, elk jaar bij een andere club. Extra technische training voor de beginners. Clinics van bijvoorbeeld FC Twente. „Dat kost 500 euro, wat niet lukt met twaalf, maar wel met vijftig meiden. We zagen: met één meisje van een bepaalde leeftijd, volgen de anderen vanzelf.”

De clubs kregen er dertig meisjes bij. En ze wisten meisjes te behouden. „Door ze het eerste half jaar op de velden en in het tenue van de ene club te laten voetballen, en daarna onder de vlag van de andere club, konden ze blijven spelen. Het team is kampioen geworden.”

Het samenwerkingsproject kreeg subsidie en won de UEFA-Grassroots Award. Er valt nog wel wat te verbeteren, meent Zwier. „Meisjes spelen in een jongenstenue. Waarom hebben clubs geen getailleerd tenue waarin ook meisjes trots kunnen rondlopen?” Soms, zegt ze, besteden besturen geld voor meisjesvoetbal liever aan een nieuwe overkapping.

Die van de kleedkamer, die kent ze ook. „Alleen al van de contributie van vier meidenteams kun je een kleedkamer realiseren.”

In een krimpgebied als waar zij woont, is investeren in meisjesvoetbal de enige manier om voetbalclubs te laten voortbestaan, meent ze.

In Rotterdam blijft Isabel hockeyen. Irene Groenland: „De clubs hier hebben het beleid de weinige meisjes die er al zijn over de teams te verspreiden. Isabel zou als beginnend meisje in een team komen met alleen jongens, die van jongs af voetballen.” Fijke blijft hockeyen. Fenna weet niet wat ze gaat doen. Elise stopt met voetbal.

„Mijn hart breekt”, zegt Lydia Zwier als ze ervan hoort.