Zonder wolf geen angst

Er was geen wilde hond, geen wolf

Er was geen angst, geen afgrijzen

De mens had geen rivaal.

Deze tekst komt uit een vierduizend jaar oude beschrijving van een soort paradijselijke oertijd, op een spijkerschrifttablet uit Sumerië. Het is misschien wel de oudste schriftelijke verwijzing naar het roofdier. De boodschap is duidelijk: zonder wolf, geen angst.

Denk aan de wolf en bijna iedereen ziet een zwijgende moordenaar voor zich, een verscheurend dier met scherpe tanden. Zo krachtig is een cultureel cliché dat duizenden jaren oud is.

Voor akelige verhalen over wolven heb je dan ook echt niet alleen de sprookjes van Grimm nodig (De zeven geitjes, Roodkapje).

Haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen [van hun slachtoffers] niet breken tot aan de morgen. Zo typeerde de joodse profeet Sefanja rond 600 voor Chr. de (afvallige) leiders van Jeruzalem. En korter geleden geloofden de Germanen dat aan het einde der tijden (het Ragnarok) de gruwelijke wolf Fenrir zich zal losrukken van het touw Gleipnir en onheil zal brengen over de wereld. De Egyptische god van de oorlog en van de dood, Wepwawet, had een wolvenkop. Ook in de recente film The Grey (2011), met Liam Neeson, worden in een ijzingwekkende mensenjacht (door wolven) alle angsten voor de genadeloze en sluwe wolven uitgespeeld.

Maar de grootste angst is de mens die een wolf wordt: de weerwolf, die woester is dan wie ook. In de Harry Potter-verhalen is de weerwolf Fenrir Vaalhaar zelfs enger dan de grote boze tovenaar Voldemort.

De angst voor de weerwolf lijkt even oud als de angst voor wolven. Ook die engerd duikt voor het eerst op in een 4.000 jaar oud Sumerisch verhaal, het Gilgamesj-epos. Daarin verandert een boze liefdesgodin een herder in een wolf die daarna zijn eigen schaapskudde aanvalt (met goed gevoel voor symmetrie verandert ze in dezelfde woedeaanval een tuinman in een mol: ook die beschermer wordt aanvaller).

Maar de wolf fascineert ook. ‘Wolf’ was een vrij normale jongensnaam onder de Germanen, in allerlei combinaties: Wolfram, Beowulf, Wolfgang, Wolfbald, Wolfhard, Wolfrad. En zelfs in het brave Nederland wordt de naam Wolf vanaf de jaren negentig een heel klein beetje populair: van ongeveer één vernoeming per jaar naar twintig keer nu. Zelfs in Rudolf schuilt een wolf, Hrodulf zeiden de Germanen: ‘beroemde wolf’.

De reusachtige en gedisciplineerde dire wolves uit de populaire fantasy serie Game of Thrones zijn het symbool van de kracht van de noordelijke familie Stark en van hun verbondenheid met het land. Over de hele wereld luisteren padvinders naar wat hun wijze Akela hun zegt – genoemd naar de wolf die in Rudyard Kiplings Junglebook het jongetje Mowgli wegwijs maakt in de wereld. De stichters van Rome danken hun leven aan de goede zorgen van een moederwolf. En volgens de Turkse mythologie stammen de Turken af van tien zonen van een man en een wolvin – de wolf geldt er als een bijzonder eervol dier.

Waarom dan toch die angst? Alle biologen benadrukken dat onder normale omstandigheden een mens weinig heeft te duchten van een wolf.

Misschien biedt de ‘zuiverheid & gevaar’-theorie van de antropologe Mary Douglas (1921-2007) een oplossing. Die komt erop neer dat verschijnselen die moeilijk in een categorie zijn te vangen of die de grenzen tussen categorieën overschrijden snel ‘besmet’, ‘taboe’ of ‘gevaarlijk’ worden gevonden.

Wie is er al 30.000 jaar de meest vertrouwde en meest trouwe metgezel van de mens? De hond. En wie lijkt er van alle wilde dieren het meest op die hond? Precies.