Renault Clio

Terwijl we naar het programma Wegmisbruikers keken, liet mijn moeder (82) zich ontvallen dat mijn vader niet kon autorijden. We keken er alle twee van op. Zij omdat ze zich na zijn dood hoofdzakelijk positieve eigenschappen herinnert, ik omdat ze net zelf haar auto total loss had gereden. Ik was het overigens wel met haar eens: mijn vader kon niet autorijden. Als je een fietspad ‘een rustige weg’ noemt, is er iets mis met je verkeersinzicht.

Mijn moeder had een zilvergrijze Renault Clio uit 1993 die haar overal naartoe bracht. Naar de Coöp. Bij het Velperbroekcircuit en af en toe naar Vught waar ze mijn slechtziende broer in een aanleunwoning hebben gestopt.

De grote voordelen van een Renault Clio volgens mijn moeder:

- Goede banden.

- Zit lekker.

- Klein.

- Stuurt goed.

- Schakelt fijn (Ze had een automaat).

Iets te fijn, zou ik daar aan toe willen voegen, want pas geleden had ze haar eerste botsing. Ze dacht dat ze vooruit reed, maar het was omgekeerd, waarna ze eerst een elektrisch hek en daarna een kerk ramde.

De impact groeide haar qua papierwinkel bijna boven het hoofd. Misschien was het qua autorijden ook wel mooi geweest, dacht ik, want dit was niet voor herhaling vatbaar. Dat was voordat ik haar zag fietsen.

In een auto was het veiliger, voor haar dan.

We gingen op zoek naar een passende auto. Met een bekende die er verstand van heeft, bezochten we de autodealers in de regio. De laatste keer dat ik meeging, belandden we in Heteren, waar mijn moeder alle auto’s die werden aangewezen probeerde en om uiteenlopende redenen afwees.

„Te grote banden.”

„ Een raar stuur.”

„Te veel een koets.”

En de belangrijkste reden: geen Renault Clio.

De verkoper in Heteren, een goedwillende man met een imposante snor, zei dat hij ging rondbellen en dat hij dan misschien binnenkort wel een Renault Clio had.

Mijn moeder: „Een grijze? Uit 1993?”