Jeroen Bosch in pastel

Monsters University. Regie: Dan Scanlon. In: 198 bioscopen.***

Ooit deed studio Pixar nauwelijks aan ‘sequels’, vervolgfilms. Toy Story, het speelgoedensemble waarmee in 1995 de zegetocht van de computeranimatie begon, was de uitzondering – en die trilogie was voortreffelijk. Maar verder glorieerde Pixar liever in het onverwachte: vuilnisrobot wordt verliefd op iPod (Wall-E), opa en dik padvindertje op avontuur in vliegend huis (Up).

Nu Pixar bij het Disney-imperium is ingevouwen, nemen vervolgfilms alsnog de overhand, inclusief lui formuledenken. Zo is Monsters University een ‘prequel’ (voorfilm) van het verrukkelijk idiote Monsters Inc. uit 2001, over een samenleving van boemannen die op fabrieksmatige schaal kinderen bang maken: hun angstkreten zijn een energiebron.

Een leuk idee, troostrijk voor bange kinderen ook, dat Pixar in deze film slechts uitmelkt. De monsterhelden zijn terug: oogbal op pootjes en praatjesmaker Mike Wazowski, harige dommekracht James P. Sullivan. Ditmaal als studenten op de monsteruniversiteit: denk Cambridge bevolkt door de hel van Jeroen Bosch en uitgevoerd in pluizig pastel. Waarna het verhaal in bekende beddingen valt: twee tot elkaar veroordeelde tegenpolen die een groep kneusjes in de traditie van Revenge of the Nerds tot team smeden om de arrogante corpsballen te verslaan.

Monsters University forceert soms met lawaai en actie en frames die uitpuilen van geinige monsters. Best geschikt voor de kindermatinee, al hou je bij Pixar het droeve gevoel getuige te zijn van een glijvlucht van genie naar middelmaat.