Dan komt uw kind niet meer bij u terug

Na haar oordeel verliest kinderrechter Flinterman ouder en kind uit het oog. Dat spijt haar: „Jeugdzorg laat zich leiden door wat ouders willen.”

Dia Flinterman klinkt heel beslist. „Ja! Ja, kinderen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Er wordt niet genoeg voor het kind gekozen.”

Dia Flinterman is familie- en jeugdrechter in Groningen. Zij legt kinderbeschermingsmaatregelen op. Zij plaatst verwaarloosde of mishandelde kinderen onder toezicht van een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg, bijvoorbeeld. Of ze haalt een kind onmiddellijk bij zijn ouders weg omdat daar acuut gevaar dreigt. Soms verliezen ouders zelfs het gezag over hun kind.

„We hebben elke maand wel een paar zaken over ontheffing van het ouderlijk gezag. De meeste ouders die hier staan, zijn verslaafd aan alcohol of drugs, of ze hebben zware psychische problemen. Of ze hebben zo’n strijd met elkaar gehad in een echtscheiding dat ze geen greep meer hebben op de kinderen. Dat komt doordat die allang gevoeld hebben dat de ouders hen in de steek hebben gelaten, en alleen met zichzelf bezig zijn geweest.”

Er is veel aandacht voor kinderen in de problemen. Sinds vorige week is iedereen die met kinderen werkt verplicht volgens een meldcode voor kindermishandeling te werken. Vorige week ook ging de nieuwe Jeugdwet naar de Tweede Kamer. Die wet maakt in 2015 de gemeenten verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp. Nu spelen de provincies en het rijk nog een grote rol.

De laatste jaren zijn steeds meer kinderen onder toezicht gesteld. In 2012 ging het om ruim 30.000 kinderen, in 2003 waren dat er nog ruim 20.000. Het aantal kinderen in pleegzorg verdubbelde in tien jaar tijd: van 8.000 in 2001 naar bijna 16.000 in 2011.

De onvrede van Flinterman betreft niet zozeer de aantallen, als wel de manier waarop Bureau Jeugdzorg hulp verleent aan deze kinderen. „Bureau Jeugdzorg ziet het als zijn belangrijkste taak de ouders te ondersteunen. Maar als je de nadruk legt op de hulpvraag van de ouders, dan vraag ik me af: waar blijft de hulpvraag van dat kind? Die zie je over het hoofd. Dat is een van de grote problemen op dit moment.”

Je zou denken dat een jeugdrechter daar invloed op heeft en zelf het belang van het kind centraal kan stellen. Maar Dia Flinterman zegt dat kinderrechters nu veel minder invloed hebben op de gang van zaken dan vijftien jaar geleden. En dat daarmee veel aan helderheid verloren is gegaan.

Ze licht toe: „Toen nodigden we de ouders uit op een zitting en konden we zeggen: wij spreken nu die ondertoezichtstelling uit, uw kind zit in een pleeggezin, u krijgt een half jaar de tijd. Dan moet u werken aan uzelf, met behulp van de gezinsvoogd. En dan gaan we na een half jaar kijken of u werkelijk gekozen hebt voor het belang van het kind, of dat u in uw verslaving of problematiek blijft hangen. In dat laatste geval kiezen we voor het kind, en gaan we over tot een andere maatregel. Dan komt het kind gewoon niet meer bij u te wonen.”

Nu kan Flinterman alleen maar bepalen óf een kind onder toezicht moet komen te staan, en eventueel tijdelijk uit huis moet. Wat er vervolgens met het kind gebeurt, en of de ouders genoeg meewerken, daar heeft ze vaak weinig invloed op.

Haar ervaring is dat Bureau Jeugdzorg zich niet alleen vooral richt op hulp aan de ouders, maar dit ook zeer lang laat duren. Ouders krijgen keer op keer de kans zich als opvoeders te bewijzen, terwijl aan de ondertoezichtstelling vaak jarenlange hulp voorafgegaan is die niets heeft uitgehaald. „Die hulpverleners hebben dan al gezegd: ‘Wij kunnen niets meer met deze ouders, die haken elke keer af. Wij denken dat het niet goed gaat met het kind, wij melden dat nu bij de Raad voor de Kinderbescherming en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.’ Dan verwachten deze hulpverleners dat er eindelijk gekozen wordt voor het kind. Maar Bureau Jeugdzorg laat zich leiden door de vraag wat de ouders willen.”

Flinterman ziet veel frustratie bij hulpverleningsinstellingen die dan weer door Bureau Jeugdzorg worden ingeschakeld. Ze imiteert: „Ja, nou moeten we weer naar die ouders. Terwijl we weten dat die niet functioneren.”

Het oude systeem vond Flinterman overzichtelijker. „Vroeger was de rechter de boeman, en de gezinsvoogd de hulpverlener, de vriend. Nu moet Bureau Jeugdzorg boeman én hulpverlener zijn.”

Toegegeven, dat is een lastige combinatie, maar volgens Flinterman geen onmogelijke. „Geef die ouders duidelijkheid. Maak kenbaar: we komen naast je staan, we gaan je gezag en je opvoedingskwaliteiten versterken, maar als we na een half jaar vinden dat je echt niet meewerkt, dan zullen we overwegen een andere maatregel te vragen.”

Uit het rapport van de commissie-Samson bleek vorig jaar dat kinderen in pleeggezinnen en tehuizen meer risico lopen seksueel misbruikt te worden. Toch zegt Flinterman dat ze kinderen met een gerust hart uit huis plaatst. „Ik denk dat het met veel kinderen beter gaat als ze uit huis gaan. Zeker. Konden we dat maar meer voor het voetlicht brengen.”

Volgens haar komen juist pleegzorginstellingen, die pleeggezinnen begeleiden, goed op voor de belangen van het kind. Vooral als Bureau Jeugdzorg het nog eens wil proberen met de ouders – zonder tussenkomst van de rechter – nadat een kind al een tijd in een pleeggezin heeft doorgebracht. „Zo’n instelling kijkt naar het kind in relatie met de pleegouders, en zegt soms: dat kan niet meer, dat kind zit daar goed, al zoveel jaar. De pleegouders kunnen dan een beroep op de rechter doen om het kind te houden.”

De rechter kan nog op een andere manier het belang van het kind bewaken: door informatie af te dwingen om tot een een goede beslissing te komen. Zo kan hij de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek vragen. Maar ook dat heeft volgens Flinterman nauwelijks effect. „Het is een algemeen gehoorde klacht, dat de Raad niet aan waarheidsvinding doet. En dat klopt in veel zaken. De kinderbescherming gaat af op vermoedens. Hoort de ouders, de school, anderen, en legt hun mening vast. Ze zetten ook letterlijk in een heleboel rapportages, vooral over omgangsregelingen, dat er ‘geen onderzoeksmiddelen’ gebruikt zijn. Dus er is niet een goede diagnose van een kind geweest, of van een ouder. En wij moeten daaruit dan destilleren of een kinderbeschermingsmaatregel gerechtvaardigd is of niet. Ik zou willen dat de Raad voor de Kinderbescherming meer zou overgaan tot góéd onderzoek van ouders en kinderen. Daar moet het beginnen.”

Kan ze dat niet afdwingen? Ze kan toch weigeren de beschermingsmaatregel uit te spreken als het onderzoek niet goed is? „De vraag is of het kind daarmee gebaat is.”

Het probleem is geld. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen middelen om in alle zaken onderzoek te laten doen, als bijvoorbeeld iemand de moeder van borderline beticht of de vader van mishandeling. Maar als onderzoek nodig is om tot een goede beslissing te komen, kan de rechter dat toch vragen. Dan moeten de ouders het onderzoek betalen. En als die dat niet kunnen, de rechtbank zelf. „Maar sommige rechtbanken zeggen: daar is geen geld meer voor. Dat is het probleem met justitie. En het is kortzichtig. Later moet je toch wel betalen. Dan komen de kinderen terug, met grotere problemen.”