Voor 120 lev naar een baantje in Europa

De bus uit Sofia naar Amsterdam stopt onderweg in half Europa. De meeste passagiers spreken alleen Bulgaars. Waar stappen ze uit en wat gaan ze daar doen?

De Servische douane vertrouwt het voor geen cent, één Nederlander in een bus vol Bulgaren. Het is het enige paspoort waar ze tijdens de nachtelijke controle op de grens tussen Bulgarije en Servië in geïnteresseerd zijn. De bus is aan de kant gezet en de ambtenaar stapt naar binnen. De Bulgaarse medepassagiers slaan het gesprek met de agente met enige opwinding gade.

„Waar ben je geweest?” Sofia.

„Waarom was je daar?” Werk.

„Werk?” De douanier kijkt op het paspoort en weer terug. „Je ging naar Bulgarije voor werk? To work?” Ja, als journalist.

Ze kijkt gepikeerd. „En je gaat met de bus terug?” Ze klakt met haar tong. Dan haalt ze haar schouders op, de mondhoeken naar beneden, en geeft het paspoort terug. „Oké.”

Voor de 42 andere passagiers in de mintgroene bus van maatschappij Union Ivkoni is de situatie precies omgekeerd. Zij verlaten Bulgarije om te werken.

Vanaf 120 lev (60 euro) kun je hem nemen, drie keer per week: de ‘Sofia Bus’. De route: Bulgarije, Servië, Hongarije, Oostenrijk, Duitsland, België, Nederland; uitstappen kan in twintig steden, eindpunt is Amsterdam. Daar doet de bus zo’n 37 uur over.

In Sofia leek het nog een vakantiereisje. Gemoedelijk worden de passagiers uitgezwaaid. Familieleden en vrienden lachen, de airco loeit. Of nee, toch een traan. Huilend zoent een oma haar elfjarige kleinzoon gedag. Mama, in leren broek en gouden gympen, rookt een sigaretje. Als de bus wegrijdt, is de hoofdweg nog steeds bezaaid met rood, groen en wit plastic – vertrapte vlaggetjes van het protest tegen de regering de avond ervoor, voor de 22ste dag op rij.

Communiceren is lastig, de meeste passagiers spreken alleen Bulgaars. Met een woordenboek in de hand kom je een heel eind. Waarheen? Wenen, Passau, Frankfurt, Brussel. Met vakantie? Nee, zeggen ze: rabota, werk. Toeristen zitten niet in deze bus.

De rit is lang, er wordt nauwelijks gepraat. Na een uur of tien is geen enkele houding meer comfortabel. Het reisgezelschap is gevarieerd, er zit van alles wat tussen: oud, jong, mannen, vrouwen, kinderen. Er is een echtpaar dat hun eenjarige kind verschoont op de stoelen (bestemming: Brussel, 32 uur). Een pubermeisje dat zich bij haar ouders voegt (Aken). Twee jonge Turkse Bulgaren die hun geluk willen beproeven in de bouw (Wenen).

Zestiger Iliya Kamanov is analfabeet, hij kan de woorden niet aanwijzen in het woordboek. Hij heeft nauwelijks tanden meer en zijn handen zitten onder de tatoeages. Hij is op weg naar Frankfurt, maakt hij duidelijk. Voorgoed. Hij kan geen werk vinden in Bulgarije, zijn vrouw is bij hem weg. Wat hij gaat doen in Duitsland? Hij wijst op een restaurant dat buiten voorbij schiet. Koken dus, maar hij heeft er nog geen contacten. Maakt hij zich zorgen? Hij knikt. „Da.”

Om negen uur gaat het licht in de bus al uit, maar slapen, nee. Om de drie uur wordt met luid kabaal gestopt. Plaspauze, roken, de benen strekken. De chauffeur doet rek- en strekoefeningen voor. Iliya Kamanov stalt zijn maaltijd uit op een lap plastic: pittige worst, kaas, een homp brood, hij bestrooit alles met een peper-en-zoutstelletje. Hij eet op zijn hurken.

Later waarschuwt een andere passagier voor hem. „Die zigeuners, daar moet je een beetje voor uitkijken”, zegt Petia Bankova (44). Het is de vrouw die met haar zoontje door oma werd uitgezwaaid. Ze blijkt redelijk Duits te spreken. Petia reist naar Frankfurt, waar haar man al twee jaar in de bouw werkt. Ze emigreert voor haar zoontje, zegt ze, en kroelt hem door het haar. „Het leven is zwaar in Bulgarije, dat hoeft hij niet ook te leiden.”

Ze heeft wel werk, in een laboratorium in Sofia. Maar ze verdient daar 300 lev (150 euro) per maand: als serveerster in Duitsland vangt ze veel meer. Haar huis laat ze achter, net als haar moeder. „Als ik, hoe zeg je dat, geaard ben in Frankfurt dan komt zij ook.” Petia is optimistisch, zegt ze. Ze graaft in haar tas en haalt een Bulgaars-orthodox icoon tevoorschijn: Maria en Jezus, in goudverf op een stuk hout geschilderd. Ze lacht. „Blijven geloven!”

De bus trilt intussen als een bezetene. In de Oostenrijkse bergen lijkt het beeldscherm in het gangpad elk moment los te kunnen schieten. De airco begint her en der dikke druppels te lekken, de ongelukkigen gaan in het gangpad staan. De oplossing: uitzetten. De temperatuur loopt langzaam op. Na elke pauze ruikt de bus een stukje rauwer.

Maar ja, véél goedkoper dan vliegen, zegt Toni (29) uit Sofia. Zijn vriendin, ook Bulgaarse, is net afgestudeerd in München. Ze blijft. Hij wil zijn baan als filmsetbouwer opgeven om zich bij haar te voegen. „Ik verdien thuis zo weinig”, zegt hij in gebroken Engels. Bang dat hij in Duitsland geen werk vindt, is hij wel. „Ik heb veel vrienden die in het buitenland slechte banen hebben, werk dat niemand wil doen.” Maar hij heeft zijn vriendin tenminste, met een technisch diploma op zak. „Dan lukt dat wel.”

De busrit lijkt een afvalrace. Naarmate de reis voortduurt, raakt de bus leger en leger. In Oostenrijk stappen er acht uit, in Duitsland 28.

Bij het busstation in München wordt massaal kebab gehaald, tegenover supermarkt ‘Balkan Shop’. De Turkse snackbareigenaar schudt zijn hoofd als de reizigers weer buiten staan. „Elke keer weer, zoveel Bulgaren”, jammert hij. „Ze zoeken werk, werk, werk, maar wat moeten ze hier doen?” Hij neemt geen Bulgaren aan.

Dit zijn geen pioniers. Familieleden, kennissen en vrienden zijn hun voorgegaan. De meesten weten wat ze in hun nieuwe land kunnen verwachten. Stuk voor stuk worden ze op hun bestemming door bekenden onthaald. Alleen Iliya Kamanov, de ‘zigeuner’, wordt niet opgewacht. Hij kijkt niet om als de bus wegrijdt.

Niemand zit de rit uit tot Amsterdam. In Antwerpen verlaten de laatste twee Bulgaren de bus. De twee chauffeurs vinden het grappig. „Nu heb je twee van ons voor jezelf, Holland.”