Column

Observator

Humor. Dat is waarin filmregisseur Fellini zich onderscheidt van befaamde generatiegenoten in zijn vak als Bergman, Antonioni, Bertolucci en Godard. Die waren heel wat zwaarder op de hand. Het is geen toeval dat Fellini Bergman ooit „een soort oudere broer die serieuzer is” noemde.

Het was een gedachte die als vanzelf bij me opkwam toen ik over de boeiende Fellini-tentoonstelling in Eye dwaalde. Dankzij de goed gekozen filmfragmenten krijg je steeds weer voorbeelden te zien van Fellini’s talent om de menselijke potsierlijkheid uit te vergroten. Illustratief zijn enkele reclamefilmpjes die hij maakte.

In drie van deze reclamefilmpjes voor de Bank van Rome vertelt een man zijn psychiater over zijn bizarre dromen. In een zo’n droom zit de man met een mooi meisje wat te drinken op spoorrails in een zonnig, leeg landschap. „Ja, ik ben gelukkig”, zegt hij. Het meisje gaat er vandoor en de man blijft, opeens in de boeien geslagen, eenzaam op zijn stoel achter. In de verte komt een trein op hem afgesneld. Dan wordt hij wakker. De psychiater hoort hem aan en zegt: „Die mooie dame kon zich redden…We hebben zelf het roer in handen, maar de Bank van Rome kan u de weg wijzen.” „En wat gebeurt er met mijn geld?”, vraagt de man. „Ik houd me bezig met psychologische problemen”, zegt de psychiater, „de Bank van Rome is er voor de rest.”

Dit is de Fellini die zelf dol was op de filmhumor van de Marx Brothers („Zij zijn mijn geestelijke peetvaders”) en Buster Keaton, die hij verkoos boven Charlie Chaplin omdat hij diens moralisme niet goed kon verdragen. Komieken waren voor Fellini „weldoeners van de mensheid”.

In Ginger e Fred, een van zijn laatste films, wacht in een tv-studio een stoet van zonderlinge individuen op een optreden in een avondvullend tv-programma – het type amusement dat Fellini verafschuwde. Een van hen is uitvinder van ‘eetbare slipjes’ met uiteenlopende smaken, vooral ‘ui en tonijn’. Hij doet het even voor: een vrouw trekt zo’n broekje aan en hij neemt gretig een flinke hap uit haar bil.

Niet bepaald verfijnde humor, maar je pikt het omdat hij zulke scènes niet uitsmeert, maar achteloos kort houdt.

Fellini was geen intellectuele filmer, geen man van grote ideeën en meningen, maar hij was wel een grandioos observator die dicht bij het gewone leven stond. Schitterend is de anekdote waarmee het interviewboek begint dat Giovanni Grazzini met hem maakte.

Als jonge man woonde Fellini in een pension in Rome naast een ambtenaar van een jaar of veertig, die er alles aan deed om jonger te lijken dan hij was: compressen, schoonheidsmaskers, slapen met een lapje rauw vlees op de wangen. Fellini zag hem ’s morgens vaak uit zijn kamer komen en een minuutje voor zijn deur blijven staan. Plotseling deed hij dan de deur weer open en stak zijn hoofd naar binnen. Fellini vroeg hem waarom hij dat deed. Om na te gaan of het er naar oude man rook, antwoordde de man. Hij zette de deur op een kier en zei tegen Fellini: „Ruik maar eens, ruik je de geur van de ouderdom?”

Het had een even hilarische als navrante scène uit een van zijn films kunnen zijn.

Op de geleerde vraag van Grazzini naar de ‘sociologische componenten’ van La Dolce Vita, zegt Fellini: „[…] ik wilde alleen maar zeggen dat ondanks alles het leven ook een diepliggende zoetheid heeft, die niet valt te loochenen.”

Daar kunnen we de zomer wel mee doorkomen.