Klein of onbruikbaar, wat je vangt moet aan land

Vissers mogen vanaf 2015 niets meer teruggooien. Dat zal hen zorgvuldiger vissen leren, is de gedachte van Europa. Vissers en onderzoekers vinden de maatregel kortzichtig. „Je moordt de kinderkamer uit.”

Zeemeeuwen flitsen langs de Scheveningse haven. Vissersschepen liggen in de vroege ochtendzon na te gloeien na een lange werkweek. Het is vrijdagochtend, het drukste moment van de week bij de visafslag; de meeste kotters zijn ’s nachts teruggekeerd van de Noordzee.

Anton Dekker (52), vlootmanager bij rederij Jaczon, banjert in visserslaarzen over de kade en deelt papieren met de weekopbrengst van de veiling uit aan de schippers. Het is een redelijke week geweest, zegt hij. Toch heeft hij zorgen.

Dat komt door een ingrijpende maatregel uit Brussel, waarover de Europese visserijministers eind mei overeenstemming bereikten. Vanaf 1 januari 2015 wordt gefaseerd de ‘aanlandingsplicht’ ingevoerd voor vissers. Dit houdt in dat het verboden wordt om bijvangst terug te gooien in zee. Ook onbruikbare en ongewenste vis moet aan wal worden gebracht. Het is de belangrijkste uitkomst van de hervorming van het Europese visserijbeleid.

Door het teruggooiverbod verwacht Europa dat vissers investeren in technieken die de vangst selectiever maken, zodat bijvangst zoveel mogelijk wordt vermeden. Vissers moeten bewuster en gerichter te werk gaan, is het idee. Dat moet leiden tot betere visbestanden. Volgens schattingen wordt nu 23 procent van de totale vangst in Europa weer teruggegooid.

Dekker kent de argumenten. Hij is geboren aan de kust, in IJmuiden. Hij heeft vissersbloed, van zijn 15de tot zijn 42ste werkte hij als visserman. Zijn zoon is schipper op een kotter, zijn vader was actief in de vissector, zijn opa was visserman en zijn overgrootvader was scheepseigenaar. Dekker heeft bij Jaczon acht schepen onder beheer, en hij is vicevoorzitter van de Nederlandse Vissersbond.

Dekker vreest voor de toekomst van de Nederlandse visserij. „We gaan richting de afgrond, we staan nu op het randje.”

De gevolgen van de aanlandingsplicht zijn groot voor Nederlandse vissers. De platvisvisserij in de Noordzee is gemengd: veel soorten worden door elkaar gevangen. Het probleem is dat bijvangst in de gemengde visserij – veruit de grootste tak in Nederland – onvermijdelijk is. Gericht vissen is ingewikkeld. Het is lastig te bepalen waar bepaalde soorten precies zitten, anders dan in de pelagische visserij, waarbij vis in scholen dicht aan het oppervlak zwemt. En door de maaswijdtes van de netten is het moeilijk verschillende soorten vis niet samen te vangen. Wie bijvoorbeeld op tong vist, vangt automatisch ook jonge schol.

Door de nieuwe regelgeving moet straks onbruikbare dode vis, levende vis, te kleine vis of verkeerde soorten vis aan land worden gebracht. Dat heeft forse consequenties. „Elke ondermaatse, nog levende vis, zal zich nooit meer kunnen voortplanten. Dat is essentieel. Je gaat zo de kinderkamer uitmoorden”, zegt Dekker. Nu gaat ongewenste bijvangst altijd direct overboord, waardoor vis mogelijk in leven blijft.

Als het doel van de aanlandingsplicht is om visserijmortaliteit te verkleinen – door schepen selectiever te laten vissen – zal de vloot een enorme verandering moeten ondergaan, zegt Aukje Coers, onderzoeker aan het Wageningse instituut Imares. „Innovatieve oplossingen liggen niet voor het oprapen en het zou jaren kunnen duren voordat die gevonden zijn. In die tussentijd zou de aanlandingsplicht kunnen zorgen voor vergrote mortaliteit.”

De nieuwe regelgeving vergt aanpassingen van de Nederlandse vissers. Door het teruggooiverbod vult het opslagruim zich met ongewenste bijvangst. Er is meer personeel nodig om die extra vis te verwerken en op te slaan. Ook moeten de schepen vaker terug naar de haven, om de vis af te voeren. Dat kost extra tijd en brandstof.

En kleine vis moet ook mee naar land, terwijl ondermaatse vis voor de handel niet interessant is. Te jonge vis gaat waarschijnlijk naar vismeelfabrieken in Denemarken, wat weinig oplevert. Dekker: „Er komen veel meer kilo’s vis bij, en het levert geen donder op.”

Extra kosten is het laatste waar de vissers op zitten te wachten. De Nederlandse visserij (circa 20.000 banen) lijdt verlies. In de afgelopen tien jaar werd in de platvisvisserij gemiddeld 39.000 euro per kotter per jaar verlies geleden, zo blijkt uit cijfers van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in Den Haag.

„Bedrijven in de platvisvisserij zijn financieel compleet uitgehold”, zegt Kees Taal, bij het LEI onderzoeker visserijeconomie. „Er is helemaal geen geld om te investeren in nieuwe technieken. Dit gaan de vissers niet overleven.”

Platvisvissers hebben nog tweeënhalf jaar voor aanpassingen in de bedrijfsvoering: het nieuwe beleid gaat op 1 januari 2016 in. Brussel moet de plannen nog precies uitwerken. De vissers hopen dat er uitzonderingen worden gemaakt voor de platvisvisserij, maar de kans daarop is klein.

„Dit zou een van de grootste veranderingen in de visserij in de afgelopen decennia kunnen zijn”, zegt onderzoekster Coers. Volgens haar is niet goed nagedacht over de consequenties van het teruggooiverbod. Dode bijvangst die nu nog overboord wordt gegooid, blijft in het ecosysteem onder water, en dient als voedselbron voor bijvoorbeeld vissen, zeehonden en vogels. „Die bron neem je vrij plotseling weg.”

Met onderzoek wil de sector aantonen hoeveel levende vis straks onnodig naar land wordt gebracht. Het is onduidelijk wat het percentage levende vis is dat nu wordt teruggegooid, de wetenschap heeft hier geen eenduidig antwoord op. „Vissers willen geen regelgeving waarbij ze nutteloos vis doodmaken”, zegt directeur Pim Visser van VisNed, de brancheorganisatie van kottervissers.

Het probleem speelt vooral in België en Nederland, omdat de platvisvisserij hier dominant is. Met name tongvissers krijgen het lastig. Tong vormt de economische motor van de Nederlandse visserijen en is goed voor een jaaromzet van ruim 100 miljoen euro, op een totaal van 300 miljoen euro voor de kottervisserij – de belangrijkste tak van de zeevisserij met zo’n 300 schepen.

Extra wrang voor de vissers is dat het met de visbestanden in de Noordzee steeds beter gaat, zo bleek onlangs uit cijfers van de Internationale Raad voor Onderzoek der Zee. De verbetering is met name te danken aan minder intensieve visserij.

Coers kan zich de frustratie bij de vissers goed voorstellen. Zij hebben de afgelopen jaren al veel gedaan om de sector toekomstbestendig te maken. Ze somt op: ze zijn duurzamer gaan vissen, de visquota zijn omlaag gegaan, de bijvangst van bodemdieren is gedaald, de zeebodem wordt minder beschadigd en er is geïnvesteerd in vernieuwen van de schepen.

In de kantine van de Visafslag Scheveningen steekt Dekker een sigaret op. Op zijn iPhone volgt hij de veiling in de belendende ruimte. Het onbegrip over de aanlandingsplicht is groot, zegt hij. Hij ligt er wakker van. Hij zag de afgelopen 25 jaar al veel collega’s failliet gaan. „Het is overleven in de visserij. Tot dit besluit kwam, had ik het gevoel dat we in een dal zaten maar dat we omhoog klommen. Maar nu komt het nekschot.”