Tegen de topdeugd

In weldenkende kringen neemt populisme steevast de vorm aan van Platonisme. Dat wil zeggen dat de witteboordenwerkers, de krantenlezers, de hogeropgeleiden, massaal op zoek zijn naar een Idee. Eén grote overkoepelende verklaring voor alles wat verwart en verwondert. Eén nieuw en sprankelend steekwoord waarmee ieder probleem vervolgens wordt opgelost. Er is onder de elite kortom, behoefte aan een briljante leugen.

Zo’n leugen, of ‘analyse’, vindt zijn weg naar hen via lezingen, workshops en webstreams. Sinds voorgangers geen onaantrekkelijke mannen meer zijn met een pijp, maar verleidelijke ‘motivational speakers’ met een missie, vertellen ze je alles wat je als hogeropgeleide wilt horen. In een krachtige vorm die je laat begrijpen wat ze zeggen, met net dat vleugje mysterie dat doet geloven in exclusiviteit.

Onzin natuurlijk. Ik bezondig me nu zelf aan de gemakkelijke generalisaties waarvan ik anderen beticht. Het kan best waar zijn dat vooraanstaande sprekers niets anders dan praatjes verkopen. En dat die praatjes, zoals ik laatst in een lyrische aankondiging las, worden ‘verpakt in één enkel woord’. Maar er zijn ook heel wat serieuze auteurs die zich tegen simplificatie verzetten.

Laatst nog waarschuwde Jasper van Kuijk van de TU Delft in de krant dat het begrip ‘innovatie’ geen oplossing is voor alle kwalen. Weliswaar is het begonnen als een sprankelend toverwoord dat belooft het Ene te zijn, het Goede, de vondst die verder zoeken overbodig maakt. Maar zo’n wondermiddel is het niet, schreef Van Kuijk. Integendeel. Het is vooral een modewoord en een bezweringsformule. In werkelijkheid is innoveren juist heel moeilijk, het is duur en mislukt vaak; iedereen ertoe oproepen is dus niet bijster verstandig. ‘Als we zo bezig blijven zal over een aantal jaar niemand meer willen innoveren omdat we er onze buik vol van hebben.’

Kort daarvoor was ik op een boek gestuit over transparantie, al net zo’n bekend modewoord. ‘Transparantie, icoon van een dolende overheid’ heette het. De auteur ervan, Erna Scholtes, wees op de schimmigheid van de woorden waarmee politici openheid van zaken beloven. Transparantie lijkt een ‘maatschappelijke multivitamine’, schreef ze. ‘Overal goed voor en je hebt er niet gauw te veel van.’ Maar in de praktijk is het begrip weerbarstig, en niet zelden vertroebelt transparantie het zicht meer dan dat het de dingen verheldert. Ook dit is bepaald geen universeel wondermiddel.

Zo zie je maar. Al die analyses van vier of vijf lettergrepen hebben een nadeel. Zodra een prominente denker zijn vondst de wereld in slingert wordt die handelswaar, er komen cursussen, congressen en hulpkits voor. Een transparantie-app. Een workshop McDonaldization. Schrijvers vullen hun stukken ermee, politici doen beloftes. Net zolang tot het woord door de weerbarstigheid van de werkelijkheid zijn sprankeling verliest en zich een nieuw toverwoord aandient.

Neem me niet kwalijk, dit klinkt cynischer dan ik wil zijn. Eigenlijk is dit alleen maar een opmaat naar de aanbeveling die ik wil doen om af en toe niet één, maar twee tegenovergestelde begrippen tegelijk te denken. Toevalligerwijs las ik net een oud artikel van de econoom Deirdre McCloskey, waarin ze beschreef hoe ze in de loop van haar leven vatbaar was geworden voor meer deugden dan Prudentia – bezonnenheid – alleen.

Door haar scholing in de economische theorie was ze van aanvang af gericht op economische rationaliteit en dus op Prudentia. Op verstandigheid. Maximalisatie. Winststreven. Mensen hebben nu eenmaal de neiging één deugd uit te roepen tot de ultieme; de achttiende-eeuwse pioniers van de economie besloten Prudentia tot topdeugd te verheffen. ‘Prudence Über Alles’, zoals McCloskey schreef. ‘Toen de Harvard Business School een paar jaar geleden $20.000.000 kreeg om ethiek te doceren, kwamen ze met cursussen die alle deugden lieten samensmelten tot het ene goed van de Prudentia; alle deugd die je met geld kon kopen.’

Maar McCloskey zelf groeide en rijpte. Zo werd ze als econoom ook ontvankelijk voor andere menselijke motivaties, en voor andere deugden, zoals liefde, barmhartigheid en hoop. De truc is, besloot ze, je hang naar deze andere deugden te volgen en tegelijk Prudentia niet overboord te kiepen. Zoals je kinderen ook opvoedt om goed voor zichzelf te zorgen en tegelijkertijd moedig, rechtvaardig, liefhebbend en trouw te zijn. Het belangrijkste punt is, schreef ze, dat ethiek niet kan worden gereduceerd, ‘althans niet zonder tragisch verlies voor het Ene, de essentie van Goedheid in de stijl van Plato.’

Kortom. Als ik hierboven schreef dat het populisme onder hogeropgeleiden de vorm aanneemt van Platonisme, dan bedoelde ik dit tragisch gereduceerde Platonisme. Als je aanhopst achter één deugd, één topprioriteit, één speerpunt, één inzicht, één briljante leugen, verlies je de rijkdom en complexiteit uit het oog van het Ene dat het Goede is.

Wat dan? Ik zou bijna zeggen, kies voor een veelheid van alles en een afweging daartussen, maar ik zeg het niet. Want voordat je het weet wordt ‘afweging’ dan het nieuwe achtletterwoord en komt Harvard voor $20.000.000 met afwegings-apps en afwegingstoolkits. En met afwegingscongressen.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.