Sorry-zegger

Ik werd vroeger nooit gepest, maar er zat een jaar tussen dat het weinig scheelde. Omdat het niet wilde vlotten met school stuurde mijn vader me toen ik zeventien was naar een particuliere school in een statige villa in Beek-Ubbergen waar je 4 en 5 havo in een jaar kon doen. Hij kon een flinke korting bedingen omdat de eigenaar een oude studievriend was.

De situatie daar was er voor mij een van overleven, dat had ik op de eerste schooldag al in de gaten. Dan heb je dus geluk als er een paar nog grotere kneuzen tussenzitten. Het beeld van een van hen, vrijwillig bukkend met de handen op de motorkap van een auto, waarna ze hem één voor één een trap tegen het achterwerk gaven, komt nog weleens boven. Een van de jongens gaf eerst een trap en zei daarna ‘sorry’, waarmee hij zich verexcuseerde voor een stukje groepsdwang.

Je vraagt je af wat er van zo iemand geworden is en je hoopt dat het niet iets leidinggevends is.

Zaterdagavond gingen we uit eten bij een trendy restaurant, de aankleding van het monumentale pand had een vermogen gekost, dat zag je meteen. In de eigenaar die voor de ingang belangrijk stond te wezen, herkende ik de ‘sorry-zegger’ van toen, het hoofd vol drank.

Hij kneep de ogen tot kleine spleetjes toen ik passeerde.

„Hoe gaat het?”, informeerde ik.

Hij knikte naar zijn pand.

„Je ziet het.”

Herinneringen ophalen had verder geen zin, daar was aan beide zijden geen behoefte aan. We aten de borden leeg, dronken de huiswijn en betaalden de rekening. Bij de kassa ving ik op dat het de laatste avond was, de zaak was failliet verklaard.

Even later verscheen er een artiest in de vorm van een zanger met geluidsband die een aantal meezingers ten gehore bracht.

De zaak kwam tot een climax bij het nummer ‘Ik kan het niet alleen’ van De Dijk. Ik zag mijn oud-klasgenoot luchtgitaar spelen en door de knieën zakken.

Een aandoenlijk tafereel.

De economische crisis had hem een trap onder zijn hol gegeven, maar er was ook drank en muziek. Alsof het leven sorry wilde zeggen.