‘Naar bordeel is niet verboden’

Arnon Grunberg doet verslag vanuit een psychiatrisch ziekenhuis. Deel 11: mensen slaan soms op de muren.

Wim, een post-kuurder, oftewel een patiënt die min of meer genezen is verklaard maar die nog drie keer per week langskomt, wil iets met me drinken. Gabriël gaat ook mee.

Voor Wim psychotisch werd was hij pizzabakker, hij is groot en breed.

We rijden met zijn auto naar een nabijgelegen café waar volgens hem veel patiënten komen.

„Ik hoor dat daar een leuke bardame werkt”, zeg ik.

„De barmoeder”, antwoordt Wim, „heeft vooral enorme tieten.”

Aan een tafeltje vertelt hij dat het er op de afdeling vroeger ruiger aan toeging. „Ik ging wel vijf, zes keer week naar het café”, zegt Wim. „Niet dat ik stomdronken thuiskwam, maar toch. We gingen soms ook naar het bordeel met een paar jongens van de afdeling. Voor de verpleegkundigen was het echt topsport. Tegenwoordig is het allemaal tammer.”

Of Wim het verleden verheerlijkt weet ik niet. Ik heb geen idee wat er ’s nachts allemaal gebeurt op onze afdeling. Een nacht werd ik wakker van enorm gebonk. Ik dacht dat een patiënt zichzelf had opgesloten, maar andere patiënten vertelden me de volgende ochtend dat mensen soms op de muren menen te moeten slaan. Ik begrijp dat.

„Naar het bordeel gaan is toch niet verboden?”, vraag ik.

„Dat niet”, zegt Wim. „Maar we gebruiken ook coke in het bordeel. De psycholoog deed daar trouwens heel laconiek erover. Die zei: ‘O, ga je naar dat bordeel? Verderop is ook een bordeel, dat is veel goedkoper.’ Daar ben ik toen heengegaan, dat was inderdaad goedkoper. Ik ben in acht inrichtingen geweest maar dit is echt de beste inrichting met de beste psycholoog.”

Ik kijk naar Gabriël.

„Jij hebt de psycholoog toch Hannibal Lecter genoemd?”, zeg ik.

„Nee, nee”, corrigeert Gabriel, „ik heb de psycholoog een psychopaat genoemd. Ik zou hem nooit Hannibal Lecter noemen, ik heb veel respect voor Hannibal Lecter. En misschien moet ik mijn mening over de psycholoog herzien.”

We wenken de barmoeder.

In een inrichting geloven de patiënten diep in hun hart dat de hulpverleners psychopaten zijn. We weten niet wat de hulpverleners allemaal geloven, maar een verpleegkundige zei tegen me: „Ze zeggen dat als je goed kunt opschieten met mensen met een psychose je zelf ook een beetje psychotisch bent.”

(Wordt vervolgd)