Justitie moet weer boeven met boeven vangen

Politie en justitie mogen weer gebruik gaan maken van criminele infiltranten bij de bestrijding van zware misdaad. In de jaren negentig liep dat helemaal mis, zo bleek destijds bij de IRT-enquête.

Criminele infiltranten die rechercheurs runnen. Tientallen containers vol soft drugs die met de hulp van de politie geïmporteerd werden en op de markt verdwenen. De IRT-affaire leidde tot een tumultueuze parlementaire enquête onder voorzitterschap van wijlen Maarten van Traa (PvdA). Nooit meer criminele infiltranten, dat was toen de conclusie.

Dat was in de jaren negentig.

Afgelopen week bleek de politiek er ineens heel anders over te denken. Criminelen moeten een grotere rol krijgen bij de opsporing van hun collega’s. Dat voorstel presenteerde minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) afgelopen vrijdag.

Infiltreren met boeven en het maken van ruimere afspraken met gangsters moet wettelijk worden mogelijk gemaakt. De nieuwe opsporingsmethoden zijn volgens hem onontbeerlijk voor een succesvolle bestrijding van de georganiseerde misdaad. De politie kan het niet langer alleen aan.

Het plan is nogal onalledaags, leert een terugblik op de recente vaderlandse misdaadbestrijding. Op 7 december van dit jaar is het twintig jaar geleden dat het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland/Utrecht door de top van politie en justitie plotsklaps werd opgeheven. Het politieteam, een interregionaal samenwerkingsverband van een aantal politiekorpsen, had tot taak diep te infiltreren in de georganiseerde misdaad om voor eens en altijd af te rekenen met de echte zware jongens. Net als nu werd toen als reden gegeven dat de top van misdaadclubs onaanraakbaar is en alleen op onconventionele wijze kan worden uitgeschakeld. Alleen met boeven vang je boeven.

Gaandeweg bleek evenwel dat de criminele infiltranten de rechercheurs ‘runden’ in plaats van andersom. Grote partijen soft drugs en volgens sommige onderzoeken mogelijk ook cocaïne werden met hulp van de politie geïmporteerd en niet meer onderschept. De affaire leidde tot het aftreden van de ministers Van Thijn (Binnenlandse Zaken, PvdA) en Hirsch Balling (Justitie, CDA), en tot die tumultueuze parlementaire enquête. De verhoren van de meest vooraanstaande en soms vermomde opsporingsambtenaren leverde een onthutsend beeld op van de misdaadbestrijding.

Het middel van infiltratie in de misdaad bleek in de praktijk erger dan de kwaal. Het opsporingsapparaat was op tilt geslagen. Politiekorpsen beconcurreerden elkaar met eigen infiltranten. Wantrouwen en paranoia waren troef. De betrokken aanklagers en rechercheurs uit Rotterdam, Haarlem en Hilversum werden uiteindelijk berispt, soms vervolgd en in een enkel geval ontslagen. In de Tweede Kamer werd ferm afgesproken dat – behalve bij de aanpak van terrorisme – nooit meer gebruik zou worden gemaakt van criminele burgerinfiltranten.

Twee decennia later moet het roer weer om, schrijft Opstelten in zijn brief aan de Tweede Kamer. „De georganiseerde criminaliteit wordt al jaren door dezelfde personen gedomineerd”, zegt de bewindsman. „Telkens duiken dezelfde namen op als hoofdverdachten. Deze dominante subjecten en criminele groeperingen moeten uiteraard met voorrang worden aangepakt.” Het bestrijden van deze lieden lukt nu niet omdat ze zich perfect weten af te schermen. Ze intimideren getuigen en kopen functionarissen om”, aldus de minister.

Deze misdaadgroepen kunnen volgens Opstelten alleen nog effectief worden bestreden door te „werken met burgers die zelf actief zijn – of zijn geweest – in de groepering waarnaar onderzoek wordt gedaan. Zij kunnen bewijs leveren dat anders onbereikbaar blijft.” Dit zal onder strikte voorwaarden gebeuren, schrijft hij.

Opstelten zegt dat zich af en toe ‘criminele spijtoptanten’ melden bij justitie die bereid zijn met de politie samen te werken. Dat mag nu niet en dat moet veranderen. Samenwerking met dergelijke criminelen mag volgens hem alleen het uiterste redmiddel zijn. Om misstanden te voorkomen moet de top van het OM toestemming geven. Dat zou een verbetering zijn ten opzichte van de IRT-periode toen rechercheurs en officieren van justitie vaak op eigen houtje aan de slag gingen. Misdaadbestrijders waren te onderscheiden in de rekkelijken en de preciezen. Na ‘Van Traa’ is er een zogeheten landelijke centrale toetsingscommissie ingesteld waar de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen worden besproken. Ook beschikt de politie sinds vijf jaar over een afdeling (de unit Werken onder Dekmantel) die toeziet op infiltratie. Om die reden denkt de minister dat de uitglijders uit het verleden kunnen worden voorkomen.

In de IRT-periode mochten infiltranten die met de politie samenwerkten als tegenprestatie een deel van de drugsopbrengsten houden. Dat soort beloningen wil Opstelten niet. Om criminelen toch makkelijker tot medewerking te kunnen verleiden, wil de bewindsman wel „de onderhandelingsmogelijkheden van het OM verruimen”. Getuigenverklaringen mogen niet worden gekocht maar minister Opstelten stelt wel voor dat „een financiële tegemoetkoming’’ voor coöperatieve criminelen mogelijk wordt. Justitie moet burgerinfiltranten ook kunnen toezeggen dat ze minder dan de helft van de straf hoeven uit te zitten die ze normaal opgelegd zouden krijgen.

Om het risico van liquidaties van de medewerkers uit de onderwereld te beperken, zullen – na toetsing door de rechter-commissaris – bepaalde stukken niet aan het strafdossier worden toegevoegd. Advocaten worden daarover wel geïnformeerd. Het Wetboek van Strafvordering staat dit sinds begin dit jaar toe. Ook worden de mogelijkheden verruimd om informanten van een nieuwe identiteit te voorzien.

De aanpak van de zware misdaad gaat er heel anders uitzien. Het betekent eerherstel voor een flink aantal misdaadbestrijders die twintig jaar terug als ‘cowboys’ werden weggezet en tot op de dag van vandaag gefrustreerd rondlopen.