‘De risico’s heb je niet goed in de hand’

Thom de Graaf begrijpt dat justitie meer mogelijkheden wil om de misdaad te bestrijden. Het toestaan van criminele burgerinfiltranten vindt hij echter onverstandig. „Ben je echt in staat een crimineel te sturen?”

Het 56-jarige Eerste Kamerlid Thom de Graaf (D66) was van 2003 tot 2005 minister voor bestuurlijke vernieuwing en vice-premier in het kabinet-Balkenende II. Van 1994 tot 1996 was hij als Kamerlid vicevoorzitter van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (commissie-Van Traa).

Wat vindt u van het voorstel van minister Opstelten?

„Ik heb er altijd begrip voor dat politie- en justitiemensen belast met de aanpak van de georganiseerde misdaad zeggen: we moeten meer opsporingsmogelijkheden hebben omdat we niet meer weten door te dringen in bepaalde gesloten misdaadgroepen. Alleen bleek uit ons onderzoek tijdens de parlementaire enquête dat er ongelooflijk veel risico’s aan verbonden zijn en dat er eigenlijk geen goede procedurele waarborgen te vinden zijn om die gevaren te beperken. Ik zie in de brief van Opstelten dat hij zegt dat we het allemaal heel serieus gaan doen: met goede waarborgen omkleed en infiltreren alleen na toestemming van de top van het OM. Maar ondertussen is de kernvraag: ben je als OM en politie in staat een crimineel echt te sturen die als burgerinfiltrant wordt ingezet? Weet je wel of hij alle informatie geeft? Weet je wel wat hij doet? Pleegt hij niet zelf ook ernstige strafbare feiten? Loop je niet het risico dat het een omgekeerd spel wordt waarbij de crimineel de politie runt in plaats van andersom? Dat risico is zo groot dat ik ook 18 jaar later nog steeds van mening ben dat je het niet moet doen. Het is gewoon te link. Er staat in het voorstel dat het moet gaan om burgers die al in een criminele organisatie zitten en in dat geval kun je ze beter als kroongetuige gebruiken.”

Opstelten zegt dat er geen ‘groei-informanten’ komen en dat de inzet van infiltranten „in tijd beperkt zal blijven”. Is dat geen goede waarborg?

„Dat onderscheid is niet te maken. Hoe lang laat je iemand infiltreren zonder dat je hem een ‘groei-informant’ noemt? Een week, een maand of een half jaar? Je wilt een informant toch belangrijker laten worden om betere informatie te krijgen. En hoe beëindig je zonder risico die infiltratie? Die vragen waren voor de Kamer achttien jaar geleden reden uit te spreken niet met burgerinfiltranten te werken. Ik zie in de plannen van Opstelten nog niet dat nu opeens het ei van Columbus is gevonden waardoor die risico’s verdwenen zijn.”

Hoe verklaart u de omslag in het parlement: destijds was vrijwel iedereen tegen en sprak men van een crisis in de opsporing en nu lijkt er royale steun voor de criminele burgerinfiltratie?

„Ja, de pendule zwenkt altijd heen en weer. Dat is op de meeste beleidsterreinen zo. Ik begrijp het wel. Er zijn nieuwe mensen aan het roer, een nieuwe bewindsman, nieuwe misdaadbestrijders en nieuwe Kamerleden. Die hebben die periode destijds minder indringend meegemaakt. En er is natuurlijk altijd druk vanuit het opsporingsapparaat dat meer middelen wil. Maar ik wil met mijn belegen wijsheid toch waarschuwen, omdat je de risico’s niet goed in de hand hebt.”

Opstelten zegt dat sommige boeven zo onaantastbaar zijn dat deze infiltratie noodzakelijk is om resultaten te boeken.

„Ja, dat zou ik ook hebben gezegd. Maar het is maar zeer de vraag of de georganiseerde criminaliteit ten principale nu opeens zo veel zwaarder is dan twintig jaar geleden. Waren er toen geen liquidaties en geen grote georganiseerde misdaadverbanden? Misschien is de misdaad iets harder geworden maar ook dat rechtvaardigt geen bijzonder risicovolle opsporingsmethoden.”

Vang je wel nog grote boeven zonder risico’s te nemen?

„Ik ben geen expert maar er zijn de afgelopen jaren toch nog voldoende zware jongens opgepakt? Ik houd aarzelingen omdat vergaande methodes ernstig de integriteit van de rechtshandhaving aantasten. Ik begrijp dat een debat over opsporingsmethoden steeds opnieuw kan worden gevoerd. De regels over de opsporingsmethoden uit 1998 zijn geen stenen tafelen die voor de eeuwigheid zijn geschreven. Misschien dat Opstelten in de Kamer nog met briljante voorbeelden en casusposities komt. Maar ik ben niet overtuigd omdat de minister geen wezenlijke veranderingen schetst.”