Dan is de mazelen minder erg

De mazelenepidemie in de Biblebelt is het niet waard om de vrijheid van godsdienst te beperken, vindt Kees de Groot.

Ooit dreigde een aidsepidemie in Nederland, onder vooral homoseksuelen en drugsgebruikers. Deze ramp werd met alle mogelijke middelen bestreden – behalve met een campagne die opriep tot seksuele onthouding dan wel trouw. Dáár wilde de overheid zich niet mee bemoeien.

In Afrika maakt deze oproep wel deel uit van de ABC-campagne (Abstinence, Be true, Condomize). Niet zo gek. In landen waar het rooms-katholicisme dan wel de islam promiscue gedrag ontmoedigt, komen minder hiv-besmettingen voor.

August Hans den Boef vergelijkt in deze krant niet-vaccinatie met onveilige seks. Onverantwoord gedrag – dus aanpakken die ‘inentingsweigeraars’, besluit hij.

Doorgaans onthoudt de overheid zich van ingrijpen in het handelen van individuen, ook als het ouders betreft die hun kinderen volproppen met te vet en te zoet voedsel, langdurig blootstellen aan gewelddadig amusement, te weinig laten bewegen of alcohol geven. We leven niet in een totalitaire samenleving.

In de huidige, dominante postchristelijke cultuur vergeten sommigen dat samenleven een voortdurende oefening in balanceren is. Den Boef is helaas zo iemand. Hij stelt dat ouders die hun kinderen niet inenten, uit de ouderlijke macht moeten worden gezet.

Het beroep van deze ouders op de vrijheid van godsdienst acht hij zonder enige waarde. Sterker, het principe zelf acht hij overbodig. Want gelovigen zouden volgens hem niet meer recht op bescherming moeten hebben dan anderen.

Dat laatste is een bekende misvatting. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (dat boven de Grondwet gaat) heeft het in artikel 9 over iedereen. Namelijk: ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst’. Daar valt dus ook de atheïstische levensovertuiging onder. Deze vrijheid is niet absoluut, zoals geen enkele vrijheid dat is. En verder: ‘De vrijheid godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’

Het kan er dus van komen dat de handelingsruimte van ouders wordt ingeperkt, ter wille van het belang van de eigen en andermans kinderen. Maar dat is niet omdat de staat ‘oppermachtig’ zou zijn. En ook niet omdat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging van geen belang zou zijn.

Deze vrijheid moet niet worden afgeschaft omdat een ‘sektarisch’ groepje weigert autonoom te zijn op de wijze die een andersdenkende meerderheid wenst. Het belang van deze vrijheid moet worden afgewogen tegen concurrerende belangen. Ik denk dat het leed van een verhoogd risico op een tamelijk onschuldige kinderziekte te overzien is, zeker vergeleken met de schade die ouders aanrichten door hun kinderen ongezond te voeden of slechte dingen toe te staan.

Kees de Groot is praktisch theoloog aan Tilburg University.