Boeven vang je alleen met boeven, toch?

Het kabinet wil dat criminelen helpen hun collega’s op te pakken Eerder liep dat helemaal mis De criminelen runden de rechercheurs, bleek tijdens de IRT-enquête

verslaggever

Criminelen moeten een grotere rol krijgen bij de opsporing van hun collega’s. Dat schreef minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) afgelopen vrijdag aan de Tweede Kamer. Infiltreren met boeven en het maken van ruimere afspraken met gangsters moet wettelijk worden mogelijk gemaakt. De nieuwe opsporingsmethoden zijn volgens hem onontbeerlijk voor een succesvolle bestrijding van de georganiseerde misdaad. De politie kan het niet langer alleen aan.

Het plan is nogal onalledaags, leert een terugblik op de recente vaderlandse misdaadbestrijding. Op 7 december van dit jaar is het precies twintig jaar geleden dat het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland/Utrecht door de top van politie en justitie plotsklaps werd opgeheven.

Het politieteam, een interregionaal samenwerkingsverband van een aantal politiekorpsen, had tot taak diep te infiltreren in de georganiseerde misdaad om eens en voor altijd af te rekenen met de echte zware jongens. Net als nu werd toen als reden opgegeven dat de top van misdaadclubs onaanraakbaar is en alleen op onconventionele wijze kan worden uitgeschakeld. Alleen met boeven vang je boeven.

Gaandeweg bleek evenwel dat de criminele infiltranten de rechercheurs runden in plaats van andersom. Tientallen containers vol softdrugs werden met hulp van de politie geïmporteerd en verdwenen op de markt.

De affaire leidde tot een tumultueuze parlementaire enquête onder voorzitterschap van wijlen Maarten van Traa (PvdA). De openbare verhoren van de meest vooraanstaande en soms vermomde opsporingsambtenaren leverde een onthutsend beeld op over de misdaadbestrijding.

Het middel van infiltratie in de misdaad bleek in de praktijk erger dan de kwaal. Het opsporingsapparaat was op tilt geslagen. Politiekorpsen beconcurreerden elkaar met eigen infiltranten. Paranoia en wantrouwen waren troef.

De betrokken aanklagers en rechercheurs uit Rotterdam, Haarlem en Hilversum werden uiteindelijk berispt, soms vervolgd en in een enkel geval ontslagen. In de Tweede Kamer werd ferm afgesproken dat – behalve bij de aanpak van terrorisme – nooit meer gebruik zou worden gemaakt van criminele burgerinfiltranten.

Twee decennia later moet het roer weer om, schrijft Opstelten. „De georganiseerde criminaliteit wordt al jaren door dezelfde personen gedomineerd. Telkens duiken dezelfde namen op als hoofdverdachten. Deze dominante subjecten en criminele groeperingen moeten uiteraard met voorrang worden aangepakt.” Het aanpakken van deze lieden lukt nu niet omdat ze zich perfect weten af te schermen. Ze intimideren getuigen en kopen functionarissen om die lastig dreigen te worden.

Deze misdaadgroepen kunnen volgens de minister alleen nog effectief worden bestreden door te „werken met burgers die zelf actief zijn – of zijn geweest – in de groepering waarnaar onderzoek wordt gedaan. Zij kunnen bewijs leveren dat anders onbereikbaar blijft. (…) Door deze burgers in dit soort bijzondere situaties en onder strikte voorwaarden in te zetten in de rol van criminele burgerinfiltrant, en door vaker kroongetuigen in te zetten, kan informatie worden verkregen vanuit de kern van de criminele groepering zelf.”

Opstelten zegt dat zich af en toe ‘criminele spijtoptanten’ melden bij justitie die bereid zijn met de politie samen te werken. Dat mag nu niet en dat moet veranderen. Samenwerking met dergelijke criminelen mag volgens hem alleen het uiterste redmiddel zijn. Om misstanden te voorkomen moet de top van het Openbaar Ministerie toestemming geven.

Dat zou een verbetering zijn ten opzichte van de IRT-periode, toen rechercheurs en officieren van justitie vaak op eigen houtje aan de slag gingen. Misdaadbestrijders waren te onderscheiden in de rekkelijken en de preciezen. Na ‘Van Traa’ is er een commissie ingesteld waar de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen wordt besproken. Ook beschikt de politie sinds vijf jaar over een afdeling (‘unit Werken onder Dekmantel’) die toeziet op infiltratie. Om die reden denkt de minister dat de uitglijders uit het verleden kunnen worden voorkomen.

In de IRT-periode mochten infiltranten die met de politie samenwerkten als tegenprestatie een deel van de drugsopbrengsten houden. Dat soort beloningen wil Opstelten niet. Om criminelen toch makkelijker tot medewerking te kunnen verleiden, wil de bewindsman wel „de onderhandelingsmogelijkheden van het OM verruimen”.

Getuigenverklaringen mogen niet worden gekocht, maar Opstelten stelt wel voor dat „een financiële tegemoetkoming” voor coöperatieve criminelen mogelijk wordt. Justitie moet burgerinfiltranten ook kunnen toezeggen dat ze minder dan de helft van de straf hoeven uit te zitten die ze normaal opgelegd zouden krijgen.

Om het risico van liquidaties van de medewerkers uit de onderwereld te beperken, zullen – na toetsing door de rechter-commissaris – bepaalde stukken niet aan het strafdossier worden toegevoegd. Advocaten worden wel geïnformeerd over dat weglaten. Het Wetboek van Strafvordering staat dit sinds begin dit jaar toe. Ook worden de mogelijkheden verruimd om criminele informanten van een nieuwe identiteit te voorzien.

Minister Opstelten noemt zijn plannen „substantiële wijzigingen in de opsporing en vervolging”. Het is volgens hem evenwel dé manier waarop „de gesloten en afgeschermde criminele groeperingen, waarvan de grootste dreiging uitgaat, effectiever kunnen worden bestreden”.

De kans dat zijn plannen worden aangenomen is aanzienlijk. Zo groot als destijds het parlementaire verzet was tegen infiltratie, zo groot is nu de steun. De regeringspartijen VVD en PvdA zijn in ieder geval voor.

„Onder strikte voorwaarden steunen wij de grote lijnen’’, zegt Tweede Kamerlid Jeroen Recourt (PvdA). Ook zijn collega Ard van der Steur (VVD) is enthousiast. Hij heeft alleen semantische bezwaren. „Ik vind de term criminele burgerinfiltratie ongelukkig gekozen”, zegt hij. Van der Steur spreekt liever van ‘exfiltratie’. „Spijtoptanten in het criminele milieu moeten in ruil voor informatie kunnen worden uitgekocht.”