Arnon Grunberg

Arnon Grunberg doet verslag vanuit een psychiatrisch ziekenhuis. Vandaag: de vrouw van de psychopaat.

Sabine is veertig, ze heeft twee kinderen van acht en veertien en een ex-man die ze „een moderne psychopaat” noemt. Bij voorkeur draagt ze zwarte laarzen en korte rokken. Af en toe gaat ze wijdbeens zitten. Ze is gezet, maar op een sympathieke manier.

„Wat is een moderne psychopaat precies?”, heb ik haar gevraagd.

„Een moderne psychopaat vernietigt mensen zonder in de gevangenis te komen.”

Sabine zit niet bij ons op de afdeling, ze hoort bij Omega 2, wij zijn Omega 4, maar sommige therapieën doen we samen. Bijvoorbeeld het zwemmen op donderdagochtend, een keer in de twee weken.

Terwijl wij volleybal in het zwembad spelen, dobbert Sabine verderop in het water. Mijn team verliest, vooral door mijn fouten.

In de bus terug zit ik naast Sabine. De plastic tas met daarin mijn natte zwembroek ligt tussen mijn benen. „Ik heb geen psychoses”, zegt ze, „ik was manisch. Ik had een Franse manie. Ik was ook depressief.”

„Wat was die Franse manie?”, vraag ik, half in de veronderstelling dat ze toen spoorslags naar de Côte d’Azur is vertrokken.

„In december 2011 ben ik 25 kilo afgevallen, daarna begon ik opeens Frans te spreken”, antwoordt Sabine.

„Mijn gynaecoloog”, gaat ze onafgebroken verder, „zit in de gevangenis. Hij deed tijdens het onderzoek spelletjes met vrouwen met een wattenstaafje. Maar met mij helaas niet.”

Op zondagochtend ligt Sabine in haar badpak op het grasveldje voor onze afdeling.

„Dat zou nergens anders kunnen”, merkt een verpleegkundige op, „hier wel.”

Ze heeft een aanbidder, een bijna tien jaar jongere jongeman van een andere afdeling. Op zondagmiddag mag hij samen met zijn moeder bij Sabine op bezoek. Zijn overhemd staat op springen.

Als hij weg is, vraag ik Sabine: „Heb je al met je aanbidder gevreeën?”

„Alleen gezoend”, zegt ze. „Ik heb hier met veel jongens gezoend. Een stuk of dertig. Maar echt alleen gezoend. Ik heb maar één bedpartner gehad en dat was mijn echtgenoot. Ik wil niet ziek worden. Als ze zo nodig moeten dan moeten ze er maar voor betalen.”

Zondagavond zie ik Sabine voor het raam staan van de gesloten afdeling. „Hij mag niet naar buiten”, roept ze, „ik mag niet naar binnen, maar we hebben het zo ook heel gezellig.”

(Wordt vervolgd)